Op de tram naar huis zitten er heel wat, gewapend met sjaal en blikjes bier. Ze praten luid. Het is dus weer zover. Hoe dichter we de halte naderen, hoe meer flikken ik zie. Gepantserde voertuigen, zwaantjes, gewone combi’s, ook verkeersagenten. De zwaantjes staan te keuvelen, armen gekruist, vuurwapen en knuppel om hun heup, moto’s netjes naast elkaar, helm op de moto.
Ik stap uit de tram, samen met de sjaalmannen. De broodjeszaak aan de tramhalte is getransformeerd tot biertent. Op speeldagen zet de eigenaar tv-schermen buiten en dreunt beatmuziek door de boxen. Terwijl het er op andere dagen best gezellig is. De sjaals staan tot op de steenweg, de auto’s rijden traag, er is file. Ik ruik braadworst en ui. Aan het hamburgerkraam schuift heel wat volk aan. Anderen staan naast het kot te eten en te praten, de brokken vlees vliegen daarbij uit hun mond. Enkele flikken houden de boel in de gaten. Overal liggen lege blikjes, op het voetpad, de trambedding, in de goot.
Ik steek de steenweg over. Omdat ik van het stadion weg stap komen hordes sjaalmannen op me af, ik moet hen ontwijken. Op de hoek van de straat staat een mobiel urinoir, een kerel plast ertegen. Ertegen, niet erin. Met een blikje in de hand is het wellicht moeilijk mikken. De pis loopt van het urinoir af, ik stap over de plas, hou mijn adem in. Bij het café op de hoek staan veel sjaalmannen buiten, ook hier daveren de boxen en staat het grote scherm klaar. De straat is afgezet met dranghekken. Een flik moet controleren of autobestuurders hier al dan niet wonen, zo niet mogen ze de straat niet in.
In de straat is het rustiger, nu begint wel de muziek in het stadion. Luide beats en een gelikte vrouwenstem. De supporters brullen mee, voegen zo nog extra bas toe aan het nummer, stampen op de tribunes. De wind zit niet goed vandaag.
Eenmaal ik de deur achter me heb dichtgetrokken haal ik opgelucht adem. Nog enkele matchen, dan verkassen ze naar dat nieuwe stadion. Wacko loopt naar me toe, ze miauwt, haar dikke buikje schudt heen en weer. Ik til haar op, ze spint. De muziek hoor ik tot hier, gedempt, maar nog steeds luid. Het nummer stopt, een kermisstem roept door de micro, de supporters schreeuwen en stampen, dan starten nieuwe beats. Het is tien voor zes, nog tien minuten voor de wedstrijd begint. Ik zet de stereo aan en draai het volume helemaal open, ik weet niet welke cd er in de lader zit, alles is goed.
Botsing in de Aldi
We proberen met onze kar door rijen te lopen waar anderen doorheen slenteren. Het is zaterdag. Heel Gentbrugge doolt rond in de Aldi. We kennen de winkel, we kunnen routineus dingen in de kar gooien. Nog enkele rijen overleven, dan de kassa trotseren en we zijn ervan af.
Bij het snoep en de koeken verzamelen twee Aldivrouwen kartonnen dozen, de geblondeerde en een andere. De geblondeerde werkt hier al lang, ze valt op door haar huid, roestbruin van de zonnebank, en haar zwarte ogen. De vrouwen drukken de dozen plat en gooien ze in een hoge kar. Ze praten en lachen, ze doen dat met het nodige volume.
We schuiven achter de andere karren aan, voorbijsteken gaat niet. Eindelijk arriveren we in de laatste rij, de rij van de groenten en het fruit, de kazen en de charcuterie. Die rij is de moeilijkste, om de een of andere reden lopen ze je daar nog meer voor de voeten dan elders in de winkel.
De geblondeerde duwt de reuzenkar ook deze rij in, aan de andere kant, ze doet dat nogal bruut, mensen moeten voor haar wijken.Omdat de gewone karren elkaar niet langer kunnen kruisen, ontstaat er file. Onze knop drukken we in voor we de Aldi binnenkomen, dus we zien het gelaten aan.
Vijf minuten later, op enkele meters van de Aldivrouwen, trek ik een pak yoghurt uit het koelvak.
‘Amai! Kijk naar da kind daar! Moest de mijne er zo uitzien, ik sprong in de Schelde!’ De stem van de geblondeerde klinkt luid en zwaar, haar lach schettert.
Ze kijken naar een moeder en haar dochter in de rij hiernaast, bij de diepvriesafdeling. Het meisje is bleek en maakt vreemde bewegingen met haar mond. In de ogen van de moeder zie je het soort bezorgdheid dat nooit zal verdwijnen, omdat ze weet dat haar kind het nooit alleen zal redden. Heeft die vrouw dat gehoord? Het was luid genoeg. Nee, dat zou je aan haar gezicht zien, ze is enkel met haar dochter bezig.
De geblondeerde en haar collega lachen zich een ongeluk, ze slaan op het karton dat ze platduwen, ze huilen er bijna bij. Ik kijk naar Liefje. Ze snuift luid en duwt de kar vooruit, die botst tegen de grote kar van de Aldiwijven. Ze schrikken op.
‘Besef jij wel wat je doet? Wat je zegt?’ Liefjes stem trilt, ze knijpt in de handgreep van de kar.
De geblondeerde kijkt haar met open mond aan, ze fronst en kijkt naar haar collega. Die haalt de schouders op.
Ik manoeuvreer onze kar voorbij hun kar en trek aan Liefjes arm. Haar ogen zijn in oorlog met die van de geblondeerde.
‘Kom,’ zeg ik. Ze stapt mee.
Als ik na enkele meters mijn hoofd draai, zie ik de twee naar ons kijken, hun blik is vernietigend. Ik sla mijn arm om Liefje heen, geef haar een zoen.
Kijk! Lezzers!
We rijden langs smalle wegen met haarspeldbochten. Tussen de bomen ligt nog wat sneeuw, PJ Harvey kreunt in onze oren en de verwarming blaast op volle kracht. Een verkeerde draai aan het stuur en we liggen vijftig meter dieper, tussen de bomen aan de oever van de rivier.
‘Zalig rijden hier,’ zegt Liefje.
Ik ben nog steeds aan het bibberen. Altijd die verdomde kou.
We stoppen in een klein dorp. Er staan enkele huizen en een kerk, ook een bakkerij en een café. De bakkerij is gesloten.
‘Koffie?’
Ik knik. Liefje parkeert de auto.
We stappen het café binnen. Aan de toog hangen drie mannen in overall, aan een tafel zitten enkele oudere dames die luid praten en koffie drinken. Ze kijken even naar ons en tetteren dan verder. In het Frans, dat doet deugd, want in La Roche loopt het vol Vlamingen.
Achterin het café staat een salon en brandt de open haard. Die geur van het hout, lekker. We laten ons vallen in een driezit die lijkt weggeplukt uit de kringloopwinkel.
We zijn even weg van de groep, we logeren met zestien mensen in een oud kasteel. Vreselijk is die groep niet, integendeel, het zijn de vrienden van Liefje en ze zijn dik in orde, maar het is en blijft een groep, met groepsdynamieken en groepsactiviteiten, en zo van die dingen. Voor mij is dat behoorlijk vermoeiend.
Nadat we onze koffie hebben opgedronken dommelen we weg. Liefjes been ligt op mijn knie, haar hoofd op mijn schouder, haar hand hou ik in de mijne. Telkens ik mijn ogen open zie ik hoe de vlammen het hout in de haard tekeergaan. Alles is rustig en warm. Pas nu valt het me op dat de stemmen van de oudere dames zijn verdwenen. Ik hoor de deur van het café opengaan. Even later zie ik vanuit mijn ooghoek twee grote ogen naar me staren. Een jongen van een jaar of tien, als hij merkt dat ik hem zie loopt hij weg. Nog geen minuut later keert hij terug, met twee andere jongens, ze kijken nieuwsgierig naar ons, fluisteren en giechelen. Ik snap waarom en moet lachen. Op hun voorhoofden staat geschreven: ‘Kijk! Lezzers!’
Is dat hier nog een rariteit of zo?
Lezzers, zo noemen de medekasteelbewoners ons. De lezzers, dat zijn wij. Ik vind het een mooi woord. Gelezzig ook.
Liefje wordt wakker, ze is zich van niks bewust. ‘Zijn we weg?’
‘Je zult wel enkele ogen op je voelen straks.’
‘Hoezo?’
‘Je zult wel zien.’
We gaan betalen. De werkmannen aan de toog worden stil, vermijden het ons aan te kijken. De drie jongens zitten aan een tafel, met een brede glimlach. Misschien moet ik Liefje nu hartstochtelijk zoenen. Zouden ze hilarisch vinden.
Op weg naar de auto kijken we om. De jongens staan voor het raam, we zwaaien naar hen, ze zwaaien terug.
Zand op mijn tong
We zitten op de tweede rij, helemaal aan de rechterkant, de kinderen op de rij voor ons. Mijn been trilt, de tekst hou ik opgevouwen in mijn hand. Ik wil schrijven, niet voorlezen. De twee hebben geen zak met elkaar te maken. Niet voor mij.
De juryvoorzitter klimt op het podium. ‘En dan nu de winnaars van de categorie 21+.’
Dit is de eerste verhalenwedstrijd waaraan ik deelneem. De professionele jury heeft het hem gedaan, de iPad ook.
Vier dagen geleden belden ze me op. ‘U hoort bij de finalisten. Kunt u naar Brussel komen om voor te lezen?’
Ik kon moeilijk weigeren, toch? Dat voorlezen beheerst nu al vier dagen mijn leven, ik heb dat nog nooit gedaan, zelfs niet voor de kinderen, dat ligt me niet. In de zaal zit een honderdtal man. Ik kan er niet tegen als mensen naar me kijken, zeker niet als ik intussen ook nog moet voorlezen.
‘Op de derde plaats: een verhaal dat hard begint, maar ontroerend eindigt.’
Begint mijn verhaal hard en eindigt het ontroerend?
De juryvoorzitter noemt een naam die niet de mijne is. Opluchting glijdt door me heen. Liefje knijpt in mijn hand.
Het meisje dat derde is geëindigd leest een stuk uit haar verhaal voor, ik hoor er niks van. Ik merk enkel dat het korter is dan mijn fragment. Vijf minuten duurt het bij mij, ik heb het getimed.
‘En dan nu de tweede. Een verhaal waarin pita een grote rol speelt…’
Geen pita in mijn verhaal. Mijn been trilt harder, het papier in mijn hand ook. Mijn hart zwelt en klopt als iets wat uit elkaar gaat spatten.
Kasper en Mila draaien zich om, kijken me vragend aan. Ik knik.
‘Je hebt gewonnen!’ Hun ogen zijn groot en blinken, hun glimlach is breed.
Liefje knijpt in mijn been, ik heb het warm en ook koud. De tweede finaliste leest voor maar haar woorden bereiken me niet.
Als de juryvoorzitter mijn naam noemt, sta ik op en loop ik naar het podium. Ik neem de iPad in ontvangst. Een iPad mini verdomme – bedriegers! – op de affiche stond een gewone iPad. Wat kan het mij schelen, ik moet nog voorlezen. Mijn blad leg ik op de standaard en ik begin eraan, vaag hoor ik een stem uit de luidsprekers komen, ik probeer de stem te negeren. Mijn mond is droog, ik heb anderhalve uur in die stoel gezeten, zonder drank. Mijn gezicht voel ik rekken en trekken. Ik moet veel intonatie in de zinnen leggen, het is een dialoog.
Halverwege de tekst voelt het alsof er zand op mijn tong kleeft. Ik lees verder en probeer het te negeren, ik hoor het zand ook in de luidsprekers. Komaan, voortdoen, nog een minuut of twee. Ik kijk de zaal in, naar Liefje, naar Kasper en Mila, maar ik zie hen niet echt. Dat zand. Ik zie niemand, veel ogen die naar me kijken, dat wel, hier en daar ook een glimlach. En een kerel die ligt te slapen met zijn hoofd naar achteren en zijn mond open. De slaper brengt rust, de rest van de tekst kijk ik enkel nog naar hem, het zand verdwijnt.
De voetbaltrut
Ik duw mijn handen in mijn broekzakken, ik ben mijn handschoenen vergeten. Liefje staat naast me, al even verkleumd, en Mila loopt met haar kinderwagen om ons heen en zeurt dat ze hier niet van houdt. Wij houden hier ook niet van, integendeel, maar voor Kasper doen we alsof. Straks rijden we door naar mijn ouders, daarom zijn we hier samen, Hansbeke ligt op onze weg. Anders gaan Liefje en ik om de beurt mee en blijft Mila thuis, we zijn niet gek.
Kasper krijgt de bal toegespeeld en laat hem voorbij rollen. Hij was verstrooid, zag de bal niet op hem afkomen. Dit is niet de beste match ooit, de hele ploeg speelt ondermaats. Een van de moeders van de spelertjes kijkt naar ons alsof wij Kasper hebben opgedragen die bal met opzet te missen. Zo krijgt haar zoon, Rode Duivel in spe, niet de voorzet die nodig is om te scoren. Ik kijk haar zo neutraal mogelijk in de ogen, verder geef ik geen krimp, ik heb zin mijn middelvinger te tonen maar dat doe ik niet.
‘Duurt het nog lang?’ Mila kijkt met een pruillip naar Liefje.
‘Nee, doe nu gewoon even je best, goed?’
Mila rukt aan de handvaten van de kinderwagen, de panda en de zeehond vallen er bijna uit.
De voetbaltrut staat nog steeds naar ons te loeren. Die matchen op zaterdagochtend zijn wellicht het hoogtepunt van haar weekend. Ook de meeste andere voetbalmoeders zijn opgedirkt, als je dat tenminste zo kunt noemen, en dat om tien uur ’s ochtends. Achteraf drinken ze dan in de kantine een Royco soep of een porto. Liefje en ik hebben ons uit bed moeten sleuren en staan nu buiten in de tocht, en zo zien we er ook uit.
Enkele weken geleden hoorde ik de voetbaltrut tegen de trainer zeggen dat zij en haar man thuis de speltactieken aan de keukentafel bespreken, en dat hij – de trainer – volgens hen niet goed bezig is. De trainer is een lieve kerel die voetbal als een spel ziet en goed omgaat met die elfjarigen, hij geeft iedereen een eerlijke kans.
Mila trekt aan Liefjes mouw en vraagt hoelang het nog duurt. De kinderwagen staat een tiental meter verderop.
Liefje zucht. ‘Nog een minuut of vijf.’
Kasper krijgt de bal te pakken en loopt er recht mee op het doel af. Hij doet dat ietwat onhandig maar hij slaagt erin de bal bij te houden, hij zet door, trapt en scoort. We lachen, Kasper heeft de nul van het scorebord geknald. Het staat nu 8-1. We juichen, klappen en kijken naar de voetbaltrut, ze ontwijkt onze blik. Vanmiddag wordt het crisisvergadering aan de keukentafel.
Een deuk in haar imago
Ze ligt op de tafel in de tuin, ik kam haar met de Furminator. Toen ik dat ding in de winkel zag liggen deed de naam me lachen. Wacko beweegt met de kam mee en biedt tegelijk de nodige weerstand. Na enkele halen trek ik de haren uit de Furminator en gooi ik ze in een plastic tas, dan kam ik verder.
Kastaar, de ruige kater van de buren, springt in een van de bomen achterin hun tuin. Hij kijkt naar ons maar Wacko ziet hem niet, haar ogen zijn gesloten. Ze gaat op haar zij liggen en rekt zich uit, ze lijkt echt van die kam te genieten. Tot ik haar voel verstijven. Ze krabbelt recht en krabt in mijn hand, een streepje bloed verschijnt.
‘Zeg!’
Ze springt van de tafel en loopt verder de tuin in. Via de boom klimt ze op het hok, ze nadert tot op een paar meter van Kastaar. Al haar haren staan recht, ook die van haar staart, ze ziet er heel groot en dik uit. Ze blaast, laat haar tanden zien, braakt een diepe miauw die je tot tien huizen verder kunt horen.
Ik leg de Furminator op tafel en zucht. Zij en Kastaar haten elkaar, zij hem nog meer dan hij haar, ze daagt hem graag uit in zijn eigen tuin. Dan krijgt ze wel eens klop en moeten wij naar de dierenarts om stukken pels en vlees te laten hechten. Enkele weken geleden nog stond de koer vol bloederige afdrukken van kattenpootjes.
‘Wacko! Stop ermee!’
Ze loeit nog luider nu, een heel rauwe miauw, een oerkreet der katten. De hond van enkele huizen verderop begint te blaffen. Kastaar kijkt Wacko in de ogen, zijn haren staan niet recht. Hij stapt achteruit, zijn lijf wat ineengedoken, zijn oren plat. Dan springt hij naar beneden, ik kan hem niet langer zien. Wacko duikt over de afsluiting, op de boom van Kastaar, kijkt met superieure blik en laat weer zo’n schreeuw horen. Haar haren staan nog steeds recht. Dan springt ze terug op het dak van ons kot.
‘Kunnen we nu verder doen?’ Ik zwaai met de Furminator.
Ze negeert me, snuift iets op in de lucht, likt aan haar poot, snuift weer. Ik neem de plastic tas met de haren en loop naar binnen.
Kust min kluoten
We lopen over de dijk van Oostende, de wind brult in mijn oren en ik ril in mijn jas. Aan de Vistrap overvalt de geur van de vis me.
‘Wat een prachtige vissen. En zo vers!’ Liefje loopt van kraam tot kraam en kijkt naar de vissen, ik slenter achter haar aan.
‘Kust min kluoten!!!’
Ik zoek vanwaar het geschreeuw komt. De zwart omlijnde ogen van een visverkoopster bliksemen naar de verkoopster van het kraam naast haar, de mond van de vrouw is verwrongen, haar neusvleugels trillen. De vrouw naar wie ze heeft geroepen zegt iets terug maar ik hoor niet wat.
Liefje port in mijn zij en lacht. ‘Zware concurrentie hier.’
De vrouw met de zwarte ogen is blond, ze heeft poeder op haar gezicht en draagt een groene winterjas.
‘Waar kopen we de vis?’ vraag ik. We staan in het midden van het gangpad, langs beide kanten zijn er kramen, wat doen ze met al die vissen als niemand ze koopt? Ik bevries van de kou, ik wil hier weg.
‘Bij die blonde?’
‘Die van kust min kluoten?’
‘De vis is toch overal supervers,’ zegt Liefje. ‘Maar zij is het kleurrijkst.’
We schuiven aan bij het kraam, de blonde bedient de man voor ons. Zou ze samen zijn met de visser van wie ze de vis verkoopt? En zouden ze thuis ook zo op elkaar roepen?
Het is onze beurt. De blonde lacht en het lijkt oprecht, ze heeft vriendelijke ogen. Misschien is de vrouw van hiernaast wel de bitch.
‘Mag ik dat stuk kabeljauw eens zien?’ Liefje wijst het aan.
De vrouw neemt het stuk op en toont het. Het is groot.
‘Mooi,’ zegt Liefje. Ze kijkt verlekkerd naar de kabeljauw.
‘Zestien euro,’ zegt de vrouw.
Liefje knikt. ‘En nog wat garnalen.’
‘Hoeveel?’
‘Niet meer dan vier euro,’ zeg ik. ‘We hebben maar een briefje van twintig bij.’
De blonde knikt en schept garnalen in een zak. De vrouw van het kraam ernaast zegt iets maar weer versta ik het niet.
‘Kust min kluoten joeng!!!’ De blonde kijkt geïrriteerd naar haar buurvrouw. Dan schept ze verder, ze doet dat nogal wild, de garnalen vliegen in het rond. Ze schept veel garnalen voor vier euro. Misschien heeft ze het niet goed begrepen.
‘Zo!’ Ze geeft ons de zak met de kabeljauw en de garnalen. ‘Twintig euro!’ Ze lacht en neemt het geld in ontvangst. Wij lachen ook.
‘Tot ziens,’ zegt ze.
We lopen verder. De vrouw van het kraam ernaast leunt tegen enkele kratten en staart voor zich uit.
Die homootjes
Ze duwt de buggy de tearoom in. Aan het plafond hangen kroonluchters, aan de muren spiegels met krullende, gouden randen, ook op het behangpapier prijken gouden krullen. Het is klein en druk, maar ze wilde per se hierheen. Ze zwaait naar de jongen die bij de bar staat en rolt de buggy naar een tafel. De jongen zwaait terug. We gaan zitten, ik zie aan haar gezicht dat ze tevreden is. Ik wilde naar de tearoom verderop, die is soberder, meer zoals een bruin café.
Ze tilt Bo uit de buggy met de camouflagekleuren en neemt hem op schoot. Zijn chihuahuajasje doet ze uit. De jongen loopt zwierig op ons af met twee menukaarten in de hand, zijn donkere haren vallen perfect om zijn gezicht. Hij aait Bo over zijn kop. ‘Dag lieve jongen!’ zegt hij. ‘Het is toch een jongen hé?’ Zijn wenkbrauwen gaan omhoog, hij brengt zijn hand naar zijn mond, alsof hij Bo misschien beledigd heeft.
‘Ja, het is een jongen,’ zegt mama, ze lacht.
‘En wat was zijn naam nu ook weer?’
‘Bo.’
‘Natuurlijk. Ik ken ook iemand die Bo heet.’ Zijn stem klinkt iets lager nu, zijn ogen zijn donker, met een fonkeling erin. Hij heeft een stoere kop, in combinatie met die vrouwelijkheid geeft dat uitstraling. Wanneer ik me er bewust van word dat ik naar hem zit te staren, schrik ik op. Hij knipoogt en stapt weg, zijn handen zweven ter hoogte van zijn schouders, zijn jeans zit strak om zijn kont.
‘Hoe komt het toch dat die homootjes altijd zo lief zijn? Robin is ook zo lief.’
Ze kijkt me vragend aan, ik moet lachen. Robin is haar kapper.
De jongen ruimt een tafel af en neemt orders op. De tearoom zit vol oudere dames die hem met hun ogen volgen, op hun gezichten een glimlach. Hij gaat even bij een vrouw zitten, ze haalt een bloes uit een tas. Hij houdt haar de bloes voor en begint heftig te knikken. De vrouw straalt. Dan staat hij op en komt hij naar onze tafel.
‘Hebben jullie al beslist?’ Hij kijkt eerst naar haar, dan naar mij.
‘Cappuccino,’ zegt mama.
‘Koffie verkeerd.’
‘Komt eraan!’ Hij laat zijn vinger over de neus van Bo glijden en loopt naar de bar.
Ze lacht. ‘Hij is zo lief met Bo, dat is wat anders dan die lomperiken soms. Trouwens, Robin kent hem ook.’
‘Robin, de kapper?’
Ze knikt. ‘Hij komt hier ook graag koffie drinken.’
De jongen staat druk gesticulerend te praten met het meisje achter de bar. Hij neemt de hele ruimte in.
‘Dat snap ik,’ zeg ik.
Jim, zie je onze liefde al zwemmen?
Ik open de deur. De spooklamp op de nachttafel verandert net van kleur en dompelt de kamer onder in een paarse gloed. Het hout kraakt onder mijn voeten. Die vloer kraakt altijd, hoezeer je ook je best doet. Ze ligt in een bolletje, op haar zij, haar gezicht onder het deken. Ik leg mijn hand op haar schouder, zo zacht mogelijk. Het is een wonder dat ze al slaapt en dat wil ik zo houden. Het spook wordt rood, de kamer ook. Als ik haar een zoen wil geven, duwt ze het deken van zich af en schiet ze recht. Haar ogen twinkelen, ze giechelt.
‘Oh! Je hebt me erin geluisd.’
Ze kijkt trots.
‘Ik deed alsof ik dacht dat je sliep,’ zeg ik.
‘Leugenaar.’ Ze steekt haar tong uit, trekt aan mijn hand. Ik ga op de rand van het bed zitten en aai Dax die naast haar ligt. Zijn pluchen poot steekt in een wc-rol, zijn oog is afgeplakt met een wattenschijfje en op zijn rug kleeft een grote pleister gemaakt van ruitjespapier.
‘Oei. Wat is er gebeurd?’
‘Wacko heeft hem gebeten.’
‘Ons roofdier.’
‘En Dax is veel te braaf.’ Ze neemt de labrador op en drukt hem tegen zich aan, geeft hem een zoen. Ze kijkt naar Dax, dan naar mij. Ze lijkt te twijfelen. ‘Cat?’
‘Mila?’
‘Kijk.’ Ze haalt een tekening van onder het bed en duwt hem in mijn handen. Twee dolfijnen springen op uit het water, ze doen dat min of meer symmetrisch. Tussen hun snoeten heeft ze een groot hart getekend met daarin J + M. Op de achtergrond drijft een eiland, de zon schijnt, vogels vliegen door de lucht. Boven de tekening staat: Jim, zie je onze liefde al zwemmen? Het spook doet de kamer en de tekening oranje kleuren.
‘Wauw.’
‘Vind je het mooi?’
‘Heel mooi. Die zin, die is prachtig. Hij zal het super vinden, dat weet ik zeker.’
Ze bijt in haar vinger, lacht.
‘Wanneer ga je het hem geven?’
‘Morgen.’
‘Leuk dat hij weer je vriendje is.’
Ze knikt, lacht verlegen, en schuift zodanig heen en weer dat Dax in een wurggreep komt te liggen. Twee jaar geleden was hij al eens haar vriendje, dan kwam er een andere jongen, toen even een meisje, en nu weer Jim.
‘Zou ik hem een knuffel geven ook?’
‘Een van jouw knuffels?’
Ze knikt. ‘Een kleintje.’
‘Goed idee.’
‘Welke?’
‘Denk daar maar over na terwijl je in slaap valt. Goed?’
Ik geef haar een zoen en dek haar toe. De kleur van het spook is weer paars nu, op haar voorhoofd staat een frons. Kiezen uit al die knuffels lijkt me niet eenvoudig. Ik trek de deur achter me dicht en loop de trap af. Jim, zie je onze liefde al zwemmen? Dat is echt mooi.
Liefje en de zombies
Tijdens het zappen belanden we op BBC 2. De Australiër ziet eruit als een cowboy in korte broek. Hij voedt de kangoeroebaby’s met flesjes melk en stopt ze in kussenslopen die dienst doen als buidel. Al twintig jaar verzorgt de man kangoeroewezen in zijn hut, tot ze sterk genoeg zijn om zelfstandig in het reservaat in de Outback te leven. Als ze niet slapen, springen de baby’s de hele tijd achter hem aan. Dat is mooi. Liefjes benen liggen bij me op schoot, mijn handen liggen op haar benen.
Het programma is gedaan.
‘Zullen we een film huren?’ Ik kijk naar rechts, haar ogen zijn dicht, ze slaapt. ‘Liefje?’
Ze reageert niet. Mijn boek ligt op de kast. Als ik op sta om het te nemen, wordt ze misschien wakker. Of… Ik voel de grijns op mijn gezicht. Ik check de digicorder, er staan nog vier afleveringen klaar. Daar heb je de begingeneriek, de muziek, de snelweg, in de richting van de stad leeg, aan de andere kant vol auto’s die tijdens de vlucht eeuwig tot stilstand zijn gekomen. Ik voel meteen de spanning.
Liefje beweegt, ik zet het geluid stiller. Ze draait zich om, legt zich goed, enkel haar voeten liggen nog bij me op schoot. Ze lijkt stevig te slapen. Ik zet het volume luider. Te stil kijken gaat niet, er moet geluid bij. Uit het niets komt een zombie tevoorschijn, hij maakt veel lawaai, de persoon die hij aanvalt schreeuwt. Verdomme. Ik druk op de volumeknop maar het is te laat. Liefje opent haar ogen en kijkt versuft naar het scherm. Daar strompelen een stuk of twintig zombies, ze reutelen en kreunen, hun lichamen, hun gezichten zijn opengereten. Er volgt een close-up van een vrouw die zich aan de armen voorttrekt, ze heeft geen onderlijf, haar darmen slepen over de grond. Rick en Shane schieten de zombies in het hoofd, de hoofden spatten uiteen en de zombies vallen neer.
Liefje zucht.
‘Ah, je bent wakker,’ zeg ik.
‘Waar zijn die kangoeroes?’
‘Dat programma is gedaan. Je was in slaap gevallen.’
‘Ik was niet in slaap gevallen.’ Ze klinkt nors.
‘Jawel.’
‘Hoe kun je daar nu naar kijken? Dat heeft toch geen inhoud?’
‘Jawel.’
‘Ik ga slapen.’
‘Het draait om de mensen, niet om de zombies. Die zombies zijn gewoon decorstukken. Het is soms heel aangrijpend.’
‘Hm.’
‘Er was onlangs een meisje vermist, vijf afleveringen lang, en plots bleek dat ze in een zombie was veranderd. Ze moesten haar neerknallen voor de ogen van haar moeder. Dat was erg.’
‘Proficiat.’ Ze rolt met haar ogen en verdwijnt naar de keuken.
Even later hoor ik water stromen, ze is in de badkamer. Rick en de rest zijn ontsnapt en rijden terug naar de boerderij. Daar is het relatief veilig maar zeker ben je nooit.
Ik zie Liefje naderen. Op enkele meters afstand blijft ze staan. Ze staart me aan, haar ogen zijn glazig, ze reutelt. Haar ademhaling hapert, het klinkt net echt, met het juiste zombiegekreun erbij. Ze houdt het zowat een minuut vol, dan schiet ze in de lach. Ze geeft me een kus. ‘Slaapwel,’ zegt ze.
