Fatale hitte

barbara_dehasque_wacko
Foto: © Barbara Dehasque

Ik zet het droogrek over de varen. Oppassen dat ik Wacko niet raak. Ze ligt onder de varen te maffen. Ik gooi een wit zeil over het rek.
Een dagelijks ritueel, sinds een maand.
De varen is nog maar een schim van wie hij was: een grote, groene, gezonde schaduwplant. Nu oogt hij frêle en bruinig. Op sterven na dood. Geen idee waarom ik nog elke dag met dat rek loop te klungelen.
Wacko strekt haar mollige lijfje en kreunt chagrijnig. Het droogrek steelt haar zon. In haar dikke pels ligt ze hier altijd in die temperaturen van boven de dertig te bakken.
Ze kreunt nog eens, heel stil. Haar ogen zijn spleetjes. Het lijkt alsof ze net zo hard afziet als die varen. Maar zij heeft een keuze. Binnen, in de hal, kan ze op de frisse tegelvloer neerploffen.
Onze stadstuin is begrensd door twee muren van vijf meter hoog. Niemand kan hier binnengluren. Tegen de muren kleeft klimop en bloeit een wingerd. Maar de zon mikt een vijftal uur per dag haar vuurstralen pal op mijn favoriete plant: de varen.
Ik ga in de schaduw liggen, op de grond. Mijn hersenen koken in mijn schedel. Wacko richt haar kop op, enkele centimeters, en kijkt in de richting van het dak. Ze begint het typische geluid uit te stoten dat katten maken als ze een vogel zien. In dit geval een tortelduifje. Ze blijft zo nog even verder mekkeren, liggend op haar zij, en laat haar kop dan weer loom zakken.
Die varen valt niet meer te redden. Ik duw me met de nodige moeite recht en waggel naar binnen.

Het dekentje

dekentje_Ik geeuw en zet de televisie uit. We moeten dringend naar bed, of nee, ik moet naar bed, Liefje heeft verlof. Om zeven uur moet ik op en het is al één uur. Het lijkt alsof ik aan de zetel kleef. Omdat ik mijn been beweeg heeft Wacko door dat ik recht wil staan en schiet ze van mijn schoot af. Daarbij gebruikt ze haar klauwen, dat doet pijn, haar nagels zijn vlijmscherp. Ik bijt op mijn tanden. Ambetant beest.
Wacko gaat op de salontafel zitten en geeft haar voorpoot enkele korte, stevige likken. Dan rekt ze zich uit en stapt ze naar de rode stoel waar ze de laatste tijd altijd op ligt. Ze heeft de gewoonte zich een aantal weken op telkens hetzelfde plekje te nestelen, tot het haar plots niet meer interesseert en ze een nieuwe plek kiest.
Ze springt op de stoel maar gaat niet liggen. Ze kijkt naar het dekentje dat naast de stoel ligt, het dekentje dat er normaal op ligt, haar dekentje. Het zal gevallen zijn omdat ze te bruusk van de stoel is gesprongen. Wie weet hoelang het er al naast ligt, ik heb er niet op gelet.
‘Oei,’ zeg ik tegen Liefje, ‘Wacko’s dekentje ligt op de grond.’
Liefje kijkt niet op, ze is bezig met haar telefoon. Ik hijs mezelf uit de zetel, neem het deken en vouw het op. Wacko kijkt aandachtig toe. Dan til ik haar van de stoel en hou ik haar in mijn ene arm terwijl ik het gevouwen stuk fleece op de stoel leg.
‘Zo lig je lekker comfortabel,’ zeg ik, en ik zet haar voorzichtig neer op het dekentje. Ze blijft er welgeteld één seconde op staan en springt dan naar de andere rode stoel, die zonder deken. Daar gaat ze meteen op liggen, ze sluit zelfs meteen haar ogen.
Liefje vindt het allemaal heel grappig, ze proest het uit. Ik zucht, ik zou echt beter in bed kruipen.

Rozemarijn

rozemarijnWacko gromt eerst stil, dan luider. Ze kijkt vanop de vensterbank naar buiten. Er moet een kat in de voortuin zitten, daar kan ze niet tegen. Hoewel ze langs voren niet buiten gaat beschouwt ze de voortuin als haar territorium, haar bezit, net zoals dit hele huis en alles wat erin staat, wij inbegrepen. Haar silhouet is zichtbaar door de rolgordijnen: een bol haar met hanenkam en dikke staart. Ze begint er nu al bij te blazen ook. Misschien zijn het twee katten, of is het die grote kater van aan de overkant van de straat.
‘Wacko?’
Ik loop naar het raam en trek de rolgordijnen omhoog. Onder de stekels van de yucca zitten geen katten, onder de vensterbank ook niet. Dan merk ik de vrouw op. Ze staat op het pad in de voortuin en prutst aan de rozemarijnplant. Ik heb haar nog nooit gezien, ze is in de zeventig, misschien zelfs in de tachtig, en ze draagt een bril met een rond montuur. Naast haar staat een tas gevuld met groenten, de prei en selder steken eruit. Ze moet naar de markt geweest zijn, een straat verderop, en blijkbaar gaat ze een of andere schotel maken. Met rozemarijn.
Wacko blijft stilletjes grommen en verliest de vrouw geen moment uit het oog. Ik kijk ook naar de vrouw. Haar wangen zijn rood, ze draagt een groene muts die haar er bol en schattig doet uitzien, zeker in combinatie met de bril. Na een tiental seconden kruisen onze blikken. Ze kijkt snel weer weg en blijft heftig aan de rozemarijn trekken. Die plant is groot genoeg, van mij mag ze gerust enkele takjes hebben, maar dan mag ze ook eens lachen. Ik zwaai, ze blijft me negeren. Haar ogen zijn wijd open, ze lijkt gegeneerd, misschien denkt ze dat ik zo meteen naar buiten kom gestormd. Eindelijk breekt er een takje af, en dan nog eentje, ze zijn best taai, ik heb ook soms moeite als ik ze eraf wil halen. De vrouw stopt de rozemarijn in haar tas bij de groenten en schuifelt dan weg. Wacko springt van de vensterbank af. Ik laat de rolgordijnen weer zakken, want vrijwel iedereen die hier voorbijloopt heeft de neiging naar binnen te gapen.

Schildpad in actie

wackskeIk probeer haar te negeren en lees verder. Ze miauwt weer, luider nu, en krabt met haar poot aan het venster. Dan stapt ze naar me toe, springt ze op de salontafel en mept ze tegen mijn telefoon. Bij de volgende tik bungelt het ding al over de rand van de tafel.
‘Wacko!’ roep ik.
Ze springt in de zetel. Met een diepe frons gaat ze op de leuning zitten. Ze kreunt stilletjes, ik lees verder. Even later loopt ze naar de kast, springt erop en begint weer dingen te verplaatsen, van die glazen theelichthoudertjes. Terwijl ze het doet kijkt ze naar mij. Ik zucht en klauter uit de zetel.
‘Het régent,’ zeg ik. Ze heeft een hekel aan regen.
Haar snoet klaart op. Ze springt van de kast af en loopt naar het grote raam dat ik voor haar openschuif. Ze rent enthousiast naar buiten, maakt daarbij zo’n prrr-geluidje.
Ik ga weer in de zetel liggen. Nog geen twee minuten later hoor ik een tik tegen de ruit. Als ik zonet door het raam kon zien dat buiten alles nat is, dan zag zij dat toch ook?
Ze staat op haar achterpoten en krabt met beide voorpoten aan de ruit, heel snel. Ik duw me weer uit de zetel en neem een handdoek. Haar pels staat bol van de kou, op de haartjes liggen kleine regendruppels. Haar ogen zijn groot en rond, haar ene oor ligt plat. Ik zet me op mijn knieën om haar beet te kunnen pakken en schuif het raam open. Ze aarzelt even, kijkt hoe ze me het best kan ontwijken, waagt dan haar kans en schiet naar binnen. Ik grijp haar vast. Ze spartelt en miauwt en kreunt en krabt. Ik hou haar in een stevige greep, droog haar pels af en dan haar poten. Hoe langer ik bezig ben, hoe rustiger ze wordt, ze begint zelfs te spinnen.
Ik laat me weer in de zetel vallen. Ze komt naar me toe en springt erbij. Na wat in mijn buik te kneden gaat ze tegen me aan liggen. Ze spint zodanig luid dat ze er bijna bij piept.

Vermist: Pien

pienIk fiets het Keizerpark in. Aan een elektriciteitskast hangt al enkele weken een A4-blad met foto’s van een vermiste kat die Pien heet. Wacko is ooit ook spoorloos geweest, tijdens de koude winter drie jaar geleden. In de buurt hadden we van die A4-bladen in plastieken hoesjes gehangen, aan palen, bomen. Wacko hing op in de frituur, de apotheek, de Brantano, noem maar op, ook had ik een paar duizend flyers gebust. Ik stelde me van alles voor, dat ze in de vrieskou langs een berm lag te sterven of ergens opgesloten zat en daar zou creperen. Elke dag zag ik overal die affiches hangen, het was een kloteperiode die zeventig dagen duurde.
Wanneer ik de brug over ben zie ik een kat lopen. Zwart, met witte sokjes. Ze loopt langs geparkeerde auto’s, gaat dan een parkje in waar ze bij een boom blijft staan. Ik rij haar voorzichtig achterna, kan haar tot op enkele meters naderen en bekijk haar aandachtig. Dan koers ik terug naar het Keizerpark.
Drie jaar geleden belde ik aan bij alle huizen in onze straat, bij mensen die ik niet kende, we woonden daar toen pas, om te vragen of ze in hun tuinhuis of kelder wilden kijken. Sommige van die mensen lieten me binnen om samen te kijken, anderen gooiden de deur in mijn gezicht. ‘Toch niet voor een kat?’ zag je hen denken.
Bij de elektriciteitskast trek ik aan mijn remmen, dat piept, en ik bekijk de foto’s van Pien. Ze is zwart met witte pootjes, maar ze heeft een witte vlek op haar borst, de poes van daarnet niet. Verdomme. Ik draai mijn fiets en rij terug, richting werk, trager nu, denk aan hoe de eigenaar van dat restaurant Wacko in zijn tuin had opgemerkt, naar zo’n affiche in de buurt was gelopen en me had gebeld. Liefje en ik reden dan naar het restaurant langs de steenweg, het vroor hard maar de zon scheen, de auto’s raasden voorbij, we stapten uit en riepen ‘Wacko?’. Enkele seconden later kwam ze uit de struiken, ze miauwde en liep naar ons toe. Ik greep haar vast en stapte met haar in de auto, ze was erg vermagerd, haar pels zat vol stof en rook naar motorolie. Toen heb ik zitten janken van geluk. Ik hoop dat de baasjes van Pien dat binnenkort ook kunnen doen.

Machtsverhoudingen

wackskeIk ben koffie aan het zetten als ik buiten kabaal hoor. Heel luid. De deur is nochtans dicht, de ramen ook.
Nee, toch? Ik loop de tuin in. Jawel dus. Wacko staat op het kot achter in de tuin van de buren, met haar haren recht, en ze maakt een geluid dat niet moet onderdoen voor een loeiende sirene. Dat was al even geleden. Bergy, de kattin van de buren, heeft Wacko een half jaar geleden van de troon gestoten en heerst nu over de tuintjes. Maar Bergy is gisterenavond op reis vertrokken, mee in de mobilhome naar Griekenland voor twee maanden, en nu moeten de machtsverhoudingen blijkbaar worden hernieuwd.
Wacko gromt en blaast en loeit. De witgrijze kater van de andere buren, Kastaar, zit naar haar te kijken, ook zijn haar staat recht.
‘Kom zoetje, jij moet je hier niet mee moeien.’ Het is de stem van de buurvrouw van twee huizen verderop, die heeft ook een kat, een rosse kater. Ik ga op de tuintafel staan om beter te kunnen zien. De rosse staat met een dikke staart op het dak van het kot. Drie katten op een oppervlakte van een paar vierkante meter.
‘Wacko, komaan, stop ermee,’ zeg ik.
Ze negeert me.
‘Zoetje kom, laat die twee het zelf uitvechten.’ Het is vreemd de stem van de vrouw te horen. Die klinkt lief terwijl zij er altijd zo nors uitziet. Het werkt wel, de rosse trekt zich terug en springt zijn eigen tuin in.
‘Wacko?’ probeer ik nog eens.
Ze blijft maar loeien. Het is gênant, zoveel lawaai. Haar lijfje lijkt nog dikker te worden. Kastaar gromt ook, hij en Wacko kijken naar elkaar, dan sluipt Wacko dichter. Ik zucht, hij is veel groter dan zij.
‘Wacko! Verdomme! Kom hier!’ roep ik. Mijn eigen stem zo luid horen voelt onwennig. Wacko kijkt om, haar pupillen zijn groot, haar oren liggen plat tegen haar kop.
‘Kom hier,’ zeg ik, traag en luid, nu ik oogcontact heb.
Ze gaat naar achteren, behoedzaam, grommend, en springt vanaf het kot op de schutting, en dan landt ze in onze tuin. Met hanenkam en dikke staart loopt ze naar me toe.
‘Miauw!’ klinkt het, fijn en schril.
‘Beestje toch,’ zeg ik. ‘Waarom moet je altijd zo emotioneel doen?’
Ik streel haar in de nek. Ze laat een prr-geluidje horen en loopt dan snel het huis in. Ik kijk omhoog en zie de buurman aan de andere kant, twee huizen verderop, op zijn balkon. Hij woont hier nog maar net. Hij trekt van z’n sigaret en bekijkt me met een frons.

Wasbeurt

ernie‘Laat je hoofd eens helemaal naar achteren hangen,’ zeg ik.
Ze doet het. Ik zit op mijn knieën naast het bad. Met mijn ene hand bedek ik haar oor, in de andere hou ik de douchekop. Ik maak haar haren goed nat. In het badwater dobbert een mini-Ernie, van Bert en Ernie, met een zwemboei in de vorm van een eend.
Ik neem de bus shampoo en knijp erin. Dat maakt een prottend geluid, een klodder shampoo valt op haar hoofd, ze moet lachen. De shampoo masseer ik in het lange haar. Daarna spoel ik alles weg, let daarbij goed op haar oren, die zijn heel gevoelig.
De deur gaat open en Wacko loopt met een luide miauw de badkamer binnen. Dat klinkt grappig. Ze springt op de rand van het bad, kijkt eerst naar Mila en dan naar mij.
‘Was Wacko bang van jou toen ze je voor het eerst zag?’ vraagt Mila.
Ik knijp wat conditioner op mijn hand. ‘Tuurlijk niet. Hoe kom je daarbij?’ vraag ik.
‘Ik was echt bang de eerste keer dat ik je zag. Omdat je zo groot was.’
‘Jij was toen pas vijf.’ Ik probeer de conditioner zo gelijk mogelijk over het haar te verdelen.
‘Is dat al zolang geleden?’ vraagt ze.
‘Een kleine vier jaar.’
‘Jij was een reus,’ zegt ze.
‘Na een half uur kroop je al op mijn schoot. Heel bang dus.’
‘Ik vecht tegen mijn angsten,’ zegt ze.
Daar moeten we allebei om lachen.
Wacko zit Ernie nieuwsgierig te bekijken, ze reikt met haar pootje over het water, naar Ernie, maar trekt het dan snel terug.
Ik zet de douchekop aan, Wacko springt van het bad af.
‘Je doet ze schrikken!’ roept Mila. ‘Dat mag je niet doen!’
‘Ah, daar kan ze wel tegen,’ zeg ik, en ik spoel de conditioner weg. ‘Kijk, ze ligt hier al naast me.’
Wacko strekt zich languit op de mat naast het bad.
‘Ze wil altijd zo graag bij ons zijn hé,’ zegt Mila. ‘Als ik een kat zou zijn, dan zou ik ook liefst van al hier wonen. Bij ons.’
‘Ik ook,’ zeg ik.