Kalkoven

kalkWe staan voor het rode licht. De regent klettert tegen de voorruit.
‘Heeft jouw papa dan in een kalkoven gewerkt?’ vraagt ze.
Ik snap niet meteen wat ze bedoelt. Dan herinner ik me een gesprekje van maanden geleden.
‘Nee, die kalkovens zijn van veel vroeger,’ zeg ik.
‘Zijn papa dan?’
‘Ook niet,’ zeg ik. ‘Misschien de opa van mijn opa? Of zijn opa zelfs?’
Ze knikt. ‘Héél lang geleden dus.’
Het licht springt op groen. We rijden verder, de ruitenwissers bewegen hysterisch snel, de baan lijkt een zwembad.
‘Wat is een kalkoven eigenlijk?’ vraagt ze.
‘Een oven waar ze strandschelpen ingooiden. En als die verbrand waren bleef er kalk over. Ze wilden dus kalk maken.’
‘Maar het is zeker dat jouw familie van veel vroeger in een kalkoven werkte?’
‘In een kalkbranderij, daar stonden die ovens. Dat zeggen ze toch op zo’n website die familienamen verklaart.’
Ze haalt een schriftje uit haar rugzak en schrijft iets op. ‘Vroeger schreven ze het dan zo?’
Ik kijk naar rechts. Op het papier staat ‘calcoven’. Ik knik.
‘Dus eigenlijk is het Cat Calcoven?’
‘Eigenlijk wel.’
‘En waarom is net de ‘v’ weggevallen?’
‘Geen idee.’
‘Een kalkoven heeft toch niks met een kalkoen te maken?’ Ze giechelt.
‘Niet echt, nee.’
‘Waarom is het niet Caloven geworden?’ vraagt ze.
‘Het had ook Cacoven kunnen worden,’ zeg ik.
Ik zie hoe ze me met open mond aanstaart, dan begint ze te lachen, heel luid. Het overstemt de regen. De tranen springen haar in de ogen. Ik moet ook lachen.
‘Ik ga je vanaf nu Cat Cacoven noemen.’ Ze komt niet bij van het lachen.
‘Dat vreesde ik al,’ zeg ik.
Ze giechelt nog steeds als we even later voor het huis van haar jarige klasgenootje parkeren. Ik stap uit de auto en merk dat het is gestopt met regenen.

Fishstick in de puree

fishstick_bobbieZe gilt theatraal en stormt de trap af. Haar gezicht is rood, tranen lopen over haar wangen.
‘Waar is Fishstick?’ roept ze.
Ik kijk van Mila naar Liefje. ‘Is ze nu aan het acteren?’ fluister ik.
‘Nee,’ zegt Liefje. ‘Het is echt.’
Ze springt recht en gaat met Mila de trap op, haar kamer in. Ik loop mee. Fishstick valt inderdaad nergens te bespeuren, Bobbie zwemt op zijn eentje in het aquarium. Dan zie ik iets oranje in de holle rots midden in het water. Het is de snoet van Fishstick, zijn mondje gaat de hele tijd open en dicht. Hij moet de rots zijn ingezwommen en nu zit hij boven vast.
Mila ziet hem nu ook, ze vraagt: ‘Kunnen jullie hem bevrijden?’
Liefje tilt de klep van het aquarium op en pakt de rots vast. Ze beweegt er zachtjes mee. Fishstick verroert niet, blijft de hele tijd happen. Binnen in de rots zien we enkel zijn staart.
‘Kun jij hem eruit duwen?’ vraagt ze.
Even later voel ik het velletje van de goudvis tegen mijn pink, het is glad en het voelt raar, dat hoofdje is heel klein. Ik ben bang dat ik hem kapot ga duwen, hij zit vast, en niet zomaar een beetje. Ik durf niet meer kracht te zetten.
‘Misschien moet je hem bij zijn staart proberen te pakken?’
Ik aarzel en neem dan de staart vast, die is nog dunner dan een sigarettenblaadje, ik trek er heel zacht aan. Fishstick verroert nog steeds niet. Ik krijg het warm.
‘Als ik nog meer ga trekken loopt dit niet goed af. Er moet een andere manier zijn.’
Mila begint weer te huilen. ‘Ik dacht dat hij misschien ziek was geworden en gestorven,’ zegt ze. ‘En dat jullie het me niet hadden durven zeggen.’
Dropje en Bruce, de vorige goudvissen, waren ziek uit de Tom&Co bij ons terechtgekomen, na nog geen vijf dagen dreven ze levenloos in het water.
‘Ik wil niet nog een vis dood,’ fluistert Liefje tegen me, ‘en zeker Fishstick niet, ze is zo aan hem gehecht.’
We zijn net thuis en waren de hele dag weg. Dat beestje kan al uren vastzitten.
‘Kom Fishstick,’ zegt ze. Ze pakt de rots weer beet, sluit haar ogen en duwt op het hoofdje van de vis, haar mond in een grimas, duwt nog eens, en dan weet Fishstick zich achterwaarts los te maken. Enkele seconden later zwemt hij door het water, wild en stuurloos.
‘Jaaaaaa!’ roept Mila, en ze geeft eerst Liefje en dan mij een snelle knuffel. Dan neemt ze de rots en gooit ze hem op de grond. ‘Die komt er niet meer in,’ zegt ze.
We bestuderen Fishstick, behalve enkele minuscule donkere plekjes rond zijn hoofd lijkt alles intact. Hij zwemt soepel door het water nu, alweer wat rustiger, zijn vinnen zien er oké uit, de rest ook.
Ik ga op de bureaustoel zitten, laat de opluchting over me heen vallen.

Wasbeurt

ernie‘Laat je hoofd eens helemaal naar achteren hangen,’ zeg ik.
Ze doet het. Ik zit op mijn knieën naast het bad. Met mijn ene hand bedek ik haar oor, in de andere hou ik de douchekop. Ik maak haar haren goed nat. In het badwater dobbert een mini-Ernie, van Bert en Ernie, met een zwemboei in de vorm van een eend.
Ik neem de bus shampoo en knijp erin. Dat maakt een prottend geluid, een klodder shampoo valt op haar hoofd, ze moet lachen. De shampoo masseer ik in het lange haar. Daarna spoel ik alles weg, let daarbij goed op haar oren, die zijn heel gevoelig.
De deur gaat open en Wacko loopt met een luide miauw de badkamer binnen. Dat klinkt grappig. Ze springt op de rand van het bad, kijkt eerst naar Mila en dan naar mij.
‘Was Wacko bang van jou toen ze je voor het eerst zag?’ vraagt Mila.
Ik knijp wat conditioner op mijn hand. ‘Tuurlijk niet. Hoe kom je daarbij?’ vraag ik.
‘Ik was echt bang de eerste keer dat ik je zag. Omdat je zo groot was.’
‘Jij was toen pas vijf.’ Ik probeer de conditioner zo gelijk mogelijk over het haar te verdelen.
‘Is dat al zolang geleden?’ vraagt ze.
‘Een kleine vier jaar.’
‘Jij was een reus,’ zegt ze.
‘Na een half uur kroop je al op mijn schoot. Heel bang dus.’
‘Ik vecht tegen mijn angsten,’ zegt ze.
Daar moeten we allebei om lachen.
Wacko zit Ernie nieuwsgierig te bekijken, ze reikt met haar pootje over het water, naar Ernie, maar trekt het dan snel terug.
Ik zet de douchekop aan, Wacko springt van het bad af.
‘Je doet ze schrikken!’ roept Mila. ‘Dat mag je niet doen!’
‘Ah, daar kan ze wel tegen,’ zeg ik, en ik spoel de conditioner weg. ‘Kijk, ze ligt hier al naast me.’
Wacko strekt zich languit op de mat naast het bad.
‘Ze wil altijd zo graag bij ons zijn hé,’ zegt Mila. ‘Als ik een kat zou zijn, dan zou ik ook liefst van al hier wonen. Bij ons.’
‘Ik ook,’ zeg ik.

Tieners

nirvanaTegen de stroom in stap ik door de schoolpoort. Die tieners willen zo snel mogelijk buiten raken, ik loop hen in de weg. Het is de eerste keer dat ik Kasper en Mila van hun nieuwe school afhaal. Ik snap het niet goed. Waar blijven al die tieners vandaan komen? De straat bezetten ze ook al, ze bewegen zich voort in groepjes of ze staan stil op het voetpad, chips te eten of te roken.
Ik loop dicht tegen de muur van het gebouw om de stroom te ontwijken. In de lucht hangen allerlei geuren, van aftershaves en parfums, geuren van op school vroeger, toen ik zelf een tiener was. Dat geeft me een onwennig gevoel, net zoals toen.
Eenmaal op de speelplaats van de basisschool is het anders. Minder haast, meer lucht, spelende kinderen die niet meteen hoeven te roken, te bellen of te sms’en. Mila rent op me af en geeft me een knuffel, vanop een tiental meter afstand toont Kasper met een knik dat hij me heeft gezien, dan stapt hij samen met zijn vriend naar de uitgang waar ook de tieners van het atheneum lopen. Mila en ik volgen hem.
Even later belanden we in de stroom. Het begint weer te regenen. Mila neemt mijn hand vast, wat lijkt ze klein ineens, Kasper ook trouwens. We lopen mee in een lange rij richting station. Wanneer de bus arriveert gaan we bij de deur staan zodat we er eerst op kunnen. We gaan zitten op zo’n plek waar de zitjes tegenover elkaar staan. De tieners nemen snel de rest van de bus in. Een jongen van een jaar of zestien komt naast me zitten, ik ruik zijn aftershave, weer zo’n geur die ik vaag herken. De jongen heeft groene ogen en lange, donkere wimpers. Op zijn kin en wangen staan puistjes, hij scrollt door de liedjes op zijn iPhone, stopt de oortjes in zijn oren.
Er is veel rumoer, de ramen van de bus zijn beslagen. Mila lijkt nog kleiner nu, zittend op haar stoel, met naast haar die lange slungels. Ofwel praten ze luid met elkaar, ofwel zijn ze met hun telefoon bezig. Kasper en Mila zeggen niks, ze observeren. Bij elke halte wringen meer tieners zich de bus op. Ik ben blij dat we zitten. De jongen naast me staat op en duwt zich door de massa naar de deur, zo zie ik de andere kant van zijn rugzak, daarop kleeft een sticker van Nirvana.
Hmm. Misschien ben ik dan toch nog niet zó oud.

Teleurstelling

propjesMila zit op mijn schoot, haar ogen zijn vochtig. Door de zaal klinkt de stem. De eigenaar van de stem draagt een keurig gestreken hemd, zijn haar lijkt op dat van Kuifje maar dan in het bruin, zijn stem is nasaal. Aan het einde van elke zin plakt hij het woordje ‘ja’, met vragende intonatie, en dan praat hij meteen verder.
‘Kiezen is verliezen. We zouden iedereen willen laten meedoen aan deze musical, maar dat gaat uiteraard niet. Ja?’
‘Het repetitieschema volgt zo snel mogelijk. Voor de kids die figureren volgt de planning later. Ja?’
Ik kijk naar Liefje en zij naar mij. Kids. Dat zegt genoeg.
‘Iedereen boven de veertien wordt verwacht mee te helpen op een of andere manier. Ja?’
Ik vraag me af waarom we hier zitten. De organisatoren konden evengoed via mail laten weten wie mag meedoen en wie niet. De kans dat ze Mila zouden selecteren voor een figurantenrolletje was miniem, ze hoort pas een maand bij deze groep. Maar ze wou per se komen, ze dacht echt dat ze een kans maakte. En dan hoort ze die nasale stem haar naam niet noemen.
Mila zucht. ‘Kan hij nu niet gewoon zwijgen?’
‘Ja, dat zou leuk zijn,’ zeg ik.
De randen om haar ogen zijn rood. In haar ogen blinken tranen. Ze doet geen moeite ze te verbergen, dat vind ik moedig.
‘Ik wil geen musical meer doen,’ zegt ze. De frons op haar voorhoofd is zo diep dat ik me niet kan voorstellen dat hij ooit nog verdwijnt.
Ik wrijf over haar rug, knijp in haar schouder.
‘Mila, er mochten maar drie van de vijftig kleintjes uit jouw groep meedoen, en ze moeten enkel even over het podium lopen,’ zegt Liefje. ‘Ze mogen niet eens zingen. Feit dat jij er niet bij bent zegt niks over jouw kwaliteiten.’
‘Jawel!’ Ze begint weer te huilen.
‘Echt niet,’ zeg ik.
‘Het zou wel een eer zijn hé,’ zegt Mila ferm.
Zou het een eer zijn? Geen idee, ik vind het hier een afgelikte boel eigenlijk. Maar het is de enige musicalopleiding die qua uren in onze agenda past.
‘Jouw kans komt wel. Je bent pas acht, je bent pas begonnen,’ zegt Liefje.
‘Ik stop ermee.’
‘Maar nee,’ zeg ik. ‘Als dat in je zit kun je het niet laten. En het zìt in je.’
‘Ik wil hem opsluiten in een kamer en vastbinden op een stoel,’ zegt Mila. ‘Zonder eten of drinken. En dan vul ik die kamer volledig met die domme posters van die musical, tot hij erin verdrinkt.’
Ik zie Kuifje daar al zitten en moet lachen. Mila en Liefje ook.
Zijn stem snijdt nog steeds door de zaal, maar we luisteren niet meer. Enkel die geknepen ‘ja’ hoor ik nog. Kan iemand die kerel dat eens zeggen?
‘Of ik wil dat iedereen ziek is op de première,’ zegt Mila. ‘Dan gaat die domme musical niet door.’
‘En dan neem jij àlle rollen over, ook die van de volwassenen en de oudere kinderen?’ vraagt Liefje.
Mila lacht, veegt de tranen uit haar ogen.
‘Ik snap je,’ zeg ik. ‘Als ik in een boekenwinkel ben en ik zie al die boeken dan heb ik wel eens goesting om ze allemaal op de grond te smijten. Gewoon omdat er nog geen boek van mij tussen staat.’
‘Echt?’
‘Ja, dat gebeurt wel eens.’
‘En wat doe je dan?’
‘Gewoon verder doen. Maar bij jou zal het alllemaal véél vlotter lopen dan bij mij, daar ben ik zeker van.’
‘Echt?’
‘Echt.’
Ze knikt, wrijft weer in haar ogen. De stem van Kuifje is weggevallen, de zaal komt in beweging.
Liefje knijpt in Mila’s been. ‘Kom,’ zegt ze, ‘we gaan ervandoor. We gaan iets leuks doen nu.’

Beest op batterijen

mila_furby‘Zet de radio af!’
‘Nee,’ zeg ik.
‘Aaaaarrghh!’
Ik draai mijn hoofd. Daar zit ze, op de achterbank, met een boos gezicht. Triest ook. Op haar schoot zit de Furby, zijn oren flapperen, zijn poten trappelen. Sinds ze hem tien minuten geleden uit zijn doos haalde, slaakt hij rare gilletjes. Die komen boven de muziek en het geraas van de snelweg uit. Een Furby is een levende knuffel op batterijen. Zijn ogen zijn schermpjes die emotie uitdrukken.
‘Mila, zet ‘m weer in z’n doos, dan wordt hij stil.’
‘Nee!’
‘Wel, ik zet ook de radio niet af. We moeten nog een uur rijden.’
‘Je maakt mijn Furby ziek!’ Ze meent wat ze zegt, ik zie het aan haar ogen. ‘En het raam moet ook dicht!’
Het is over de dertig graden en de auto heeft geen airco.
‘Er is veel te veel lawaai voor hem,’ zegt ze, met een pruillip.
De Furby heet Polly en is volgens Mila een meisje maar ze verwijst steeds naar hem, niet naar haar. De naam Polly gebruikt ze nooit.
Kasper rolt met zijn ogen. Op het scherm van de iPad laat hij een mitrailleur zien die kogels spuwt. Hij richt hem op de Furby.
‘Aaaarrrrrgh!’ roept Mila. ‘Je doet hem pijn!’
Ik kijk naar Liefje, ze fronst. Ze zit geconcentreerd achter het stuur, we rijden op de ring rond Brussel en het is heel druk. De Furby blijft spartelen en gillen. Waarom fabriceren ze nu zo’n ding dat niet tegen lawaai kan?
Soms is het grappig. Als Mila wil dat hij slaapt, thuis, dan is ze overdreven stil, tot het beest zijn ogen sluit. Je kunt de Furby eten geven via de iPad, ook zaken die hij niet lust, zoals chilipepers, maar die wil ze hem niet geven omdat hij het er volgens de handleiding benauwd van krijgt. Dan gaan zijn ogen flikkeren. Dat wil ze niet testen. Liefje wilde eens aan zijn staart trekken om te zien welk effect dat zou geven. Mila werd zowat hysterisch, we mogen haar Furby niet plagen.
Ik zet de radio stiller en doe het raam dicht, om haar te bewijzen dat het toch niet zal helpen. De Furby blijft gillen. Mila’s lip trilt.
‘Mila,’ zeg ik, ‘kun je er niet gewoon even de batterijen uitnemen? Dat is beter voor hem, en ook voor ons.’
Ze kijkt me met een boze frons aan en begint te huilen.
‘OK, laat de batterijen maar zitten. Stop hem in zijn doos. Dan valt hij uiteindelijk in slaap. Toch?’
Ze zucht en stopt de Furby in de doos. Hij zat ook in die doos toen Liefje hem voor haar kocht. Daar slaapt hij altijd in, het is een mooie doos. Ze veegt een traan van haar wang. Het spartelen gaat nog even door, in de doos, dan stopt het. Ik zet de radio luider, doe het raam open. Mila kijkt naar buiten, ze lijkt weer rustig. Kasper richt de mitrailleur op de auto’s die we inhalen.

Wachten op de sterren

mmflyerIk ga in het stoeltje zitten en klik de gordel dicht. Kasper doet hetzelfde. Uit de boxen klinkt dat lied van Mega Mindy, in het Frans. Alle Studio 100-rommel heeft hier een Franse versie. In de souvenirwinkel waar Liefje zonet een schildpadknuffel kocht voor Mila, hoorde ik ook al Samson en Gert in het Frans zingen.
Terwijl de vrouw die de Mega Mindy Flyer bedient checkt of iedereen zit vastgeklikt, begint het me te dagen. Enkele jaren geleden bleef deze kettingmolen steken, de mensen hingen urenlang op dertig meter hoogte. Het stond in de krant. Ik zeg het aan Kasper en zie zijn gezicht veranderen. Oeps. Misschien had ik dat niet moeten zeggen.
‘Blijven steken?’
‘Dat gebeurt bijna nooit hoor, dat zo’n attractie vast komt te zitten. En als het gebeurt, valt je er niet uit, je blijft gewoon ter plekke hangen. In dit geval op dertig meter hoogte.’
‘Dit ding gaat toch zestig meter hoog?’
‘Het kan ook zestig meter geweest zijn. Weet ik veel.’
Hij fronst. De molen begint te draaien. Onze stoeltjes zweven, voorlopig slechts een paar meter boven de grond.
‘We hangen enkel vast aan van die dunne kettingen. Dat is zot,’ zegt hij. ‘Als er een losschiet, kantelen we en we zitten niet eens stevig vastgeklikt.’
Het ding gaat plots te snel de lucht in. Het voelt alsof ik val. Halverwege de mast blijven de stoeltjes hangen, dit moet de dertig meter zijn. We zweven en zien het hele park en ook alles errond, watervallen inclusief. Het maakt me misselijk.
‘Shit, dit is echt eng,’ zegt Kasper. ‘Die kettingen hangen bovenaan maar aan twee punten vast, en we moeten nog verder omhoog.’
Ik zucht. In de verte daar beneden hoor ik nog flarden van het Franstalige Mega Mindy-lied.
Liefje en Mila zitten enkele stoelen achter ons maar ik durf mijn hoofd niet te draaien, recht voor me kijken is al erg genoeg. Ik trek aan het roze Plopsabandje om mijn pols. Eigenlijk zijn de kinderen te oud voor Plopsa Coo, vooral Kasper, maar hij en Mila amuseren zich goed vandaag, toch tot nu. Het pretpark ligt op amper een kwartier rijden van het vakantiehuisje en het leek ons voor hen een leuke afwisseling op de wandelingen in en rond de bossen van Aywaille. Voor Liefje en ik is het natuurlijk wel even op de tanden bijten.
Het gevaarte gaat richting climax. Ik kijk naar Kasper, hij naar mij. Zijn gezicht zegt genoeg. Tijdens de Gentse Feesten zaten we samen op de G-Force, dat was heftig maar leuk. Dit is akelig. Ik durf echt niet om me heen te kijken en concentreer me op een kerktoren in de verte. We dalen maar blijven halverwege hangen.
‘Zo meteen zal dat ding nog eens omhoog gaan, zeker?’ Terwijl hij het zegt schieten we weer de lucht in. De kettingen piepen. Ik voel kriebels in mijn buik maar het zijn geen leuke kriebels.
‘Doe je ogen dicht en probeer aan iets anders te denken,’ zeg ik hem.
Ik wil dat het avond is en in de tuin bij het huisje zitten, en zoals elke avond de zon achter de bossen zien verdwijnen en de kleur van de hemel donkerder en donkerder zien worden en eerst de Poolster zien en dan de andere sterren en me afvragen of rond die zonnen ook planeten zweven, en hoe oud die dan zijn, miljarden jaren en meer, en of daar ook van alles leeft, en of ze daar ook zo achterlijk zijn dat ze iets als Plopsa hebben.
Ik open mijn ogen, doe ze meteen weer dicht.
Ik wil wachten op de sterren.
Wachten op de sterren.
De sterren.
‘We zijn aan het dalen,’ zegt Kasper. ‘Ik denk dat het gedaan is nu.’
Ik open mijn ogen. We dalen, het Mega Mindy-lied komt dichterbij.
‘Stomme Gert Verhulst’, zegt hij. ‘Het is al erg genoeg dat hij die watervallen heeft verpest. Straks bouwt hij ook dààr nog een stomme attractie in.’
Dat doet me luid lachen, omdat het grappig is wat hij zegt, maar ook door de opluchting, het ergste is voorbij.
Even later staan we op de grond. Ik waggel om mijn rugzak die ik daarnet aan de kant moest leggen op bevel van de vrouw die de molen bedient, nu snap ik waarom. Kasper neemt ook zijn rugzak. Dan gaan we naar Liefje en Mila die uit hun stoeltjes klauteren. Liefje kijkt naar me en ik weet dat ze hetzelfde denkt.
Mila trekt hard aan de mouw van mijn hemd. ‘Ik wil nog eens! Ga jij mee, Cat? Mams wil niet!’