Ik tuimel, op mijn stoel. Kijk ik naar het water, enkele meters verderop, dan lijkt het alsof ik erin ga vallen. Zo gaat het ook met de lucht, ik zweef erin rond. Liefje en de anderen praten en lachen, ze doen dat met volle overgave. Ze lijken nergens last van te hebben. Ik hou me vast aan de stoel, ik wil niet vallen, maar het wordt erger en erger.
‘Voelen jullie dat ook?’ vraag ik.
Liefje wiegt heen en weer op haar stoel en lacht breeduit, Ruben zegt ‘ja’, Marie knikt en dan valt haar mond open. De uitdrukking op haar gezicht zegt genoeg. Dat is goed, ik dacht al dat het aan mij lag.
‘Wat zit erin?’
‘Shiva,’ zegt Ruben. ‘Puur, zonder tabak.’
Puur! Wow. Ik hou de poten van de stoel vast. Straks trekt het wel weer weg. Hoop ik. Misschien moet ik me wat op Liefje concentreren. Ze vertelt iets aan Marie, maar ik hoor niet wat ze zegt. Ze gebaart met haar armen en Marie luistert aandachtig, nu en dan schatert ze het uit.
Ruben prutst aan zijn fototoestel. ‘Tien jaar geleden zijn we gestopt met roken en nu kunnen we niet meer tegen tabak,’ zegt hij. ‘Vandaar puur. Maar dit komt echt hard aan…’
Hij lacht. Ik ook.
Liefje en ik zijn in Amsterdam, we liepen langs de Prinsengracht toen we iemand haar naam hoorden roepen. Twee mensen op een terrasje bij een coffeeshop zwaaiden. Vrienden van haar, van vroeger, toen ze nog studeerde, ik ken hen niet. Liefje zei dat ze hen in geen vijftien jaar heeft gezien. Ze stelden voor dat we er even bij kwamen zitten, ze hadden het over toeval en hoe je dat niet mag negeren. Nu is het tien minuten later en moet ik me vastklampen aan een stoel.
‘Amaaai,’ zegt Marie. Ze wappert met haar handen, ze doet dat op een grappige manier. ‘Wàt is dit zeg? Gaan we stappen? Dat helpt misschien!’ Ze staat op en neemt haar handtas.
Ik moet me concentreren, ik weet niet of ik in staat ben te bewegen. Na enkele tientallen meters gaat het beter, de grip op de grond keert terug. Ik loop achter hen aan, ik voel me te groot als ik dicht bij hen loop. Ik lijk wel zo’n een reus uit een carnavalstoet en zij zijn zo klein. Andere mensen trouwens ook. Ik ben groot en breed, alsof in mijn schouders een gigantische kapstok zit. Het voelt onwennig, zo overdreven groot zijn.
We blijven stappen en stappen, over brugjes, langs de grachten. Na een tijdje word ik weer kleiner, zoals anders. Dat is goed. De zon daalt en dat zorgt voor mooi, oranje licht.
Marie stopt midden op een brugje. ‘Al die grachten!’ roept ze, met haar armen wijd gestrekt, eigenlijk is het meer declameren dan roepen. Met dat Antwerpse accent klinkt het heel grappig. ‘Al die grachten in Amsterdam!’ Ze schiet in de lach. Wij ook. We blijven maar lachen en lachen, ik krijg er tranen in de ogen van, neem mijn zonnebril af en veeg ze weg. Ik zie twee vrouwen naar ons kijken, ze moeten rond de vijftig zijn. Het zijn Amsterdamse vrouwen, je merkt goed wie van hier is en wie niet. Ze lachen naar elkaar, dan lachen ze naar mij. Ik zwaai naar hen en loop verder, Liefje en de anderen zijn alweer aan het stappen.
Categorie: stuff
De bal
De bel gaat, het is tien uur ’s avonds. We zuchten.
‘Doe jij open?’ vraag ik Liefje.
‘Nee. Ik heb hen daarnet al gezien!’
‘Ik wil niet!’ Ik spring uit de zetel en loop naar achteren, de tuin in.
De buren zijn net terug uit Griekenland. Een uur geleden belden ze aan, Liefje heeft een half uur met hen gepraat. Of beter: naar hen geluisterd. Die mensen razen door en door, dat is vermoeiend. Vandaag lukt dit me niet, dat weet ik zo. Ik ga aan de tuintafel zitten, leg mijn ellebogen erop, spits mijn oren. Het is stil in huis, Liefje moet met hen aan de voordeur staan.
De buren zijn een jaar of zeventig en best sympathiek, grappig ook. Kleurrijk. Ze draaien zowel Griekse smartlappen als AC/DC, en ik hoor ze dagelijks lachen aan de andere kant van de muur, dat is leuk. Maar zodra ze me zien, slaan ze aan het ratelen en zijn ze niet te stoppen.
Hun achterdeur gaat open, ik hou mijn adem in. Het is de buurman, hij kan moeilijk stappen, zet kleine passen, dat maakt een specifiek geluid. Hij opent de deur van hun tuinhuis, dat kraakt en piept. Ik zit heel stil. Als hij me nu hoort, zal hij over de schutting heen beginnen te praten.
Wacko heeft de geluiden ook gehoord, ze fronst, kijkt me met grote ogen aan. Tijdens die twee maanden dat ze in Griekenland zaten, heeft ze zich hun tuin toegeëigend en nu moet ze die weer afstaan. Haar haren staan recht, ze loopt door het gras, houdt haar neus hoog, snuffelt.
Net over de schutting hoor ik de buurman in een plant of struik ritselen. Enkele seconden later vliegt iets op me af, het knalt tegen mijn hoofd. Auw! Ik open mijn mond, ik wil roepen maar ik zwijg, anders hoort hij me. Het is die bal, verdomme. Kasper trapte de voetbal enkele weken geleden over de schutting. Auw. Wacko snuffelt aan de bal. Ik wrijf over mijn hoofd, dat kwam hard aan, heeft hij die bal gesmasht of zo?
Liefje komt buiten. Ik doe teken dat ze stil moet zijn en wijs naar de schutting, zodat ze weet dat hij er is. Ze sluipt naar me toe.
‘Het was de buurvrouw, met een fles verse olijfolie van zo’n Grieks eilandje,’ fluistert ze.
Ik wijs naar de bal. ‘Ik heb dat ding tegen mijn kop gekregen.’
Ze kijkt naar de bal en dan naar mij. Ze moet lachen, maar dat doet ze zonder geluid. Ze buigt voorover en slaat op haar been, haar ogen knijpt ze dicht, zo hard heeft ze het te pakken. Daardoor moet ik ook lachen.
In het park
De zon schijnt op mijn gezicht, ik bijt in de muffin, hij smaakt lekker. Het is druk op het werk. Even in het park zitten doet deugd.
Op de bank schuin tegenover me zit een jongen, ik schat hem vijftien. Naast hem ligt een skateboard, met de wielen naar boven. De jongen heeft een muts op, muziek dreunt via de oortjes van zijn telefoon zijn hoofd binnen, hij drinkt een Red Bull. Zijn ene voet beweegt mee op de beats van de muziek. Hij kijkt om zich heen, checkt zijn horloge, toetst iets in op zijn telefoon. Zijn ogen zijn groot, vol verwachting, met zijn vingers tikt hij op zijn been. Dan glimlacht hij en stopt hij de telefoon en de oortjes in zijn broekzak. Ik volg zijn blik en zie een meisje naderen. Ze is ook een jaar of vijftien, heeft lange, donkere haren en is best knap. Ze kijkt ernstig.
Misschien spreken ze hier vaker af, is dit hun speciale plek. Het is iets wat je doet als tiener. Op een bank in het park zitten, met je liefje.
Ze gaat naast hem zitten. Je verwacht dat ze elkaar op de mond kussen, dat lijkt ook de bedoeling van de jongen, maar zij wendt haar gezicht af. Zijn zoen belandt op haar wang. Ze schudt het hoofd, zegt iets, kijkt hem niet aan, haalt de schouders op. Hij legt zijn hand op haar been, zij duwt hem weg. Weer schudt ze het hoofd. Hij fronst, al de hele tijd sinds ze er is. Als hij iets zegt probeert hij te lachen maar die lach verdwijnt terwijl hij praat. Het meisje staat op en stapt weg. ‘Lize,’ zegt hij nog, luid, maar ze stapt verder. Ik zie haar gezicht niet, dat is jammer. De jongen zakt onderuit op de bank. Zijn ogen blinken, ze zijn rood aan de randen. Hij laat zijn hoofd hangen.
Ik wil hem zeggen dat er nog meisjes zijn, dat hij jong is, dat de toekomst open ligt, dat die seut hem niet verdient, maar die jongen heeft daar geen boodschap aan. Dus ik zwijg, sta op en loop terug naar het werk.
Tekort aan vitamine B
Op de hoek van de straat brandt het groene kruis. Het is na zeven uur. Ik vermijd het liever hier te komen maar ik heb geen keus. Het is de enige apotheek in de buurt met avonddienst en morgen is het zaterdag.
Ik loop het pad op dat naar de deur leidt, die schuift geruisloos open. Ze staat achter de toonbank en laat een brede glimlach zien, ze moet zowat even oud zijn als ik.
‘Ik heb iets nodig tegen aften. Zo’n flesje met een pipet, ik ben vergeten hoe het heet.’
‘Oh ja’, zegt ze, en ze noemt de naam. ‘Maar er is ook een nieuw product. Véél beter dan het oude. Het legt een filmlaagje dat beter werkt én het doet minder pijn.’ Ze zegt het alsof ze de vloeistof zelf heeft uitgevonden, kijkt me in de ogen en zwijgt even. ‘Dat kan pijn doen hé, zo’n aft? Maar ik ben zéker dat je met dit nieuwe product…’ Ik luister al niet meer, die overdreven empathische toon is er te veel aan. Ze neemt een doosje uit een lade en schuift het naar me toe. Waarom wil ze me altijd iets anders aansmeren?
‘Hoeveel kost dat nieuwe?’ vraag ik.
‘Elf euro dertig.’
‘En dat andere?’
Ze tikt iets in op de computer. ‘Drie euro veertig.’
‘Ik wil dat van drie euro veertig.’
Voor die ene keer per jaar dat ik een onnozel aftje heb hoef ik haar wondermiddel niet. Dat andere middel werkt, dat weet ik.
Ze stopt het doosje weg en haalt het andere product tevoorschijn.
‘Weet je,’ zegt ze, met een bezorgde uitdrukking op haar gezicht, ‘aften ontstaan door een tekort aan vitamine B.’
‘Ik heb er maar eentje, hoor.’
‘Maar toch, je kunt wel wat extra vitamine B gebruiken.’
‘En waar vind ik die vitamine B?’
Ze lacht en strekt haar arm uit naar de rekken achter haar. ‘Met de meeste van deze vitaminepreparaten ben je al een eind op weg!’ Ze neemt een doosje, en nog eentje, en zet ze op de toonbank. Ze beschrijft de preparaten alsof ze me het eeuwige leven zullen bezorgen. Ik laat haar even begaan, dan zucht ik. Te veel is te veel.
‘Ik bedoel: in welke voeding zit vitamine B?’ Mijn stem klinkt luid, dat is nodig om haar te overstemmen.
‘Hmm.’ Ze brengt haar hand naar haar mond, denkt na. ‘In peulvruchten!’
‘Ja, dat weet ik, maar in wat nog?’
De frons op haar voorhoofd wordt dieper. Ze denkt na, maar zegt niks. Dat is goed, ik glimlach.
‘Zullen we afrekenen?’ vraag ik.
‘Goed,’ zegt ze. Haar lachje is zuinig.
Ze zijn er weer
Ik stap uit de tram en loop langs de bushaltes naar de bibliotheek waar ik enkele boeken in de terugbrengbus duw. Het is vroeg, kwart voor negen, ik ben nog niet wakker. Ik moet uitkijken voor bussen, auto’s, fietsers, dat vergt concentratie. Om me heen lopen dezelfde types als altijd. Gehaaste mensen, studenten, mannen in pak, vrouwen die luid praten in hun telefoon, mensen die de bakfiets net op school hebben geleegd en nu naar het werk crossen. De zon schijnt, dat zorgt voor meer kleur, het wordt zo’n dag waarop je niet de hele tijd binnen wilt zitten.
Pas als ik hen opmerk besef ik dat ik lang niet aan hen heb gedacht. Ze zaten er niet meer, dus was ik hen vergeten. Maar nu zijn ze er weer.
De vrouw draagt een paarse jurk en zit op een bank apart van de twee mannen. Ze zitten blijkbaar altijd in dezelfde opstelling, zo was het vorig jaar ook, en het jaar ervoor. De vrouw heeft korte haren met krullen, de zon schijnt op haar gezicht. Ze lacht, lijkt te genieten, en tegelijk heeft haar blik iets triests, alsof ze mijmert over vervlogen tijden. Haar gezicht is rood, ik schat haar halverwege de vijftig, de mannen zijn iets ouder. In haar hand houdt ze een blik, een halfliterblik, het merk van het bier ken ik niet. Naast haar staat een plastic tas.
De twee mannen praten met elkaar, rustig, ze nemen de tijd om na te denken over wat ze zeggen. Hun ogen blinken in de ochtendzon, ze zijn ontspannen. Ook zij houden een halfliterblik vast, van nog een merk dat ik niet ken. De man met het pak en de hoed heeft een dikke, rode neus, een drinkersneus. Het hondje zit er ook, wit met zwarte vlekken, een verbasterde Beagle, denk ik. Het is een leuk beestje, wat aan de mollige kant, het ziet me naderen en houdt me in de gaten. Bij de mannen staan enkele plastic tassen.
Als ik langs de vrouw passeer knik ik. Ze kijkt me in de ogen maar staart door me heen, alsof ze me niet ziet. Ze neemt een slok van het bier en glimlacht.
Buurvrouw in bikini
Ik loop de trap op. Op de tussenverdieping naar de slaapkamer trek ik het raam open. De zon schijnt. Ik zoek Wacko maar dan zie ik de buurvrouw, ze ligt te zonnen in haar tuin, in bikini. Zodra er een straaltje zon is zit ze erin. Ik ken niet eens haar naam en we wonen hier twee jaar. We zeggen enkel ‘hallo’ als we elkaar zien, dat vind ik prima. Ik wil Wacko roepen maar als zij daar in bikini ligt te lezen is dat raar.
De fiets staat bij het raam. Ik ga erop zitten en begin te trappen. Eigenlijk is het onnozel om binnen te fietsen op zo’n zonnige dag maar de hometrainer is pas hersteld. Hij produceerde een luide, vervelende tik. De reparateur zei dat ik hem grondig moest testen en best zo snel mogelijk. Ik trap, geen getik, ik trap harder, zet de weerstand hoger, nog steeds geen getik. Ik drink van de fles water die ik op de vensterbank heb gezet. Wanneer ik me naar het raam buig merk ik dat de buurvrouw naar me kijkt. Waarschijnlijk ziet ze mijn haar bewegen voor het venster, ik heb het samengebonden, het staat als een palmboom op mijn kop, dat is handig bij het sporten. Ik zou me ook ergeren mocht ik daar zo liggen en iets achter een raam zien bewegen, maar ik heb evenveel recht om te fietsen als zij om te zonnen.
Na een intervalsessie rij ik de laatste twintig minuten op stand zes, dat is zwaar, ik zweet en hijg voor dood. Nog enkele minuten, dan heb ik drie kwartier gefietst, dan ben ik klaar. Wat is het warm. Wacko zit bij me. Ze zal me vanuit de tuin hebben opgemerkt, om de een of andere reden houdt ze me graag gezelschap als ik fiets. Haar brede lijfje op de vensterbank houdt de frisse lucht tegen en zorgt voor extra warmte. Maar dat geeft niet.
Als ik klaar ben stap ik van de hometrainer. Ik hijg en wankel en zoek steun bij de trapleuning. Dan drink ik van het water en ga ik bij Wacko staan, met mijn armen leun ik op de vensterbank, ik ben helemaal high. Pas nu zie ik hoe de buurvrouw naar me kijkt, met een diepe frons op haar gezicht. Ik was haar al vergeten. Ik lach, neem Wacko in mijn armen en sluit het venster.
Naar de kapper
Ik zit op de trap van de hoedenwinkel naast de broodjeszaak. De straat is nauw, het is de enige plek waar de zon bij kan. Ik scheur het papier open en bijt in het broodje. Taai, maar de mozzarella is oké. Als ik veel honger heb kan de smaak me minder schelen.
Een auto stopt, de vier knipperlichten staan op. De bestuurster haast zich naar de andere kant van de wagen en opent het portier. Een hoogbejaarde vrouw stapt moeizaam uit. Ze is mager, haar rug is wat gekromd. Zijn het moeder en dochter? Ik zoek naar gelijkenissen tussen beide vrouwen maar vind er niet meteen. De leeftijden kloppen, rond de negentig en rond de zestig. De jongere vrouw ondersteunt de oudere en zo stappen ze de kapperszaak aan de overkant binnen. Door de grote ramen kun je makkelijk binnen kijken, wel belemmert een poster het zicht. Er staat een blondine met kortgeknipte haren op. Het is wellicht de bedoeling dat ze wild en aantrekkelijk overkomt, maar ze is me te jong, te gepolijst. Dertien in een dozijn.
De kapster loopt naar de oudere vrouw toe, ze neemt haar jas aan en wijst naar een stoel bij de wastafels. De vrouw die mogelijk haar dochter is helpt haar neer te zitten en overlegt dan met de kapster. Het gezicht van de oudere vrouw is stuurs, in haar houding zit berusting. Even later komt de jongere vrouw buiten. Als ze de deur van de auto opent, zie ik de badge op haar jas. Familiehulp dus.
Zal ik later ook door Familiehulp naar de kapper worden gebracht? Ik knip mijn haar zelf, kappers vertrouw ik niet. Zolang ik mijn arm kan bewegen moeten ze van mijn haar afblijven.
Ik bijt in het broodje, hoe voller mijn maag, hoe minder het me smaakt. Een andere oudere dame stapt de kapperszaak uit. Haar ogen blinken, de arm waar haar handtas om hangt houdt ze gebogen. Haar kapsel heeft die typische snit voor vrouwen van haar leeftijd. De kleurspoeling is identiek aan de kleur van haar jas. Beige. Zou ze dat zo gevraagd hebben? Voor de poster van de griet met de blonde haren kijkt ze even in haar tas, dan stapt ze verder. Ik verfrommel het papier van het broodje, mik het in de vuilnisbak enkele meters verder. Dan sta ik op en open ik het slot van mijn fiets.
Gele stip
Het schemert. Ik vertraag en probeer de huisnummers te lezen. De envelop ligt op de passagiersstoel. De straat is smal en verlaten, in de lucht hangen wolken.
Een lichte tik haalt me uit mijn concentratie. Iets raakte de auto, een vogel? Ik zet de auto aan de kant. Aan de overkant van de straat zie ik de kanarie, zijn gele kleur steekt af tegen de schemering. Waarom vloog dat beestje nu tegen de auto? Hij ziet er versuft uit, zoals hij daar zit, op de stoep.
Ik klem mijn hand om het stuur, kijk naar de kanarie. Hij beweegt niet, blijft daar zitten, op datzelfde plekje. Ik moet hem zien te pakken. Dan neem ik hem morgen mee naar Veurne. Mama zal hem met plezier opvangen, en voorlopig kan hij in Wacko’s transportmand logeren. Straks zoek ik wel wat kanarievoer in een nachtwinkel.
Eerst het beestje thuis krijgen. In de koffer ligt een schoenendoos. Krijgen kanaries snel iets aan het hart, van de schrik? Maar buiten sterft hij sowieso, toch? Ik stap uit de auto, heel traag, nog steeds niemand op straat te bespeuren. Ik sluip naar de overkant, zo stil mogelijk. De kanarie kijkt naar me, springt enkele meters verder. Wat is hij klein.
‘Kom. Kom, beestje. Kom.’
Hij houdt zijn kop schuin, kijkt me met een oog aan, alsof hij luistert. Ik zet een stap dichter, op het eerste gezicht lijkt hij oké, lichamelijk. Bij de volgende stap springt hij van me weg, verder en verder, spreidt dan zijn vleugels en fladdert weg. Hij klappert nerveuze rondjes in de lucht, landt op de vensterbank op de eerste verdieping van een huis maar krijgt geen grip op het beton. Hij fladdert verder, valt neer op de rand van een plat dak, blijft enkele seconden zitten, fladdert weer, sneller en sneller, stuurloos, hij raakt een muur verderop in de straat, dan weer een vensterbank, fladdert hoger, een dak op, tot ik enkel nog een gele stip zie. Dan verdwijnt hij.
Ik ga in de auto zitten, mep mijn hand tegen het stuur. Verdomme. Voor ik de sleutel in het contact duw, kijk ik naar het huisnummer. Veertig. Ik moet naar vierennegentig. Ik neem de envelop en stap uit, dat laatste eind loop ik wel.
Dreadlock en Muts
Aan de bushalte staan hopen tieners, de school is net uit. Een honderdtal meter verderop, op het voetpad, stappen twee jongens, een met dreadlocks, de andere met een zwarte muts. Ze dragen een rugzak. Als ik hen nader, gaat de dreadlock achterwaarts lopen. Hij strekt zijn arm en steekt zijn duim op. Ik vertraag. Hij kijkt me aan en lacht. Het is een mooie lach.
Ah, waarom niet? Ik zou ook niet op een overvolle bus willen stappen. Ik stop de auto langs de kant van de weg, de twee lopen naar me toe.
Dreadlock opent de passagiersdeur en kijkt me met vragende ogen aan. ‘Rijdt u naar het centrum?’
Ik knik.
‘Mogen we mee?’
‘Zou ik anders stoppen?’
Hij lacht, klapt de stoel naar voren en doet teken aan de jongen met de muts dat hij achterin moet zitten. Even later rijden we terug de weg op.
‘Dank u, mevrouw,’ zegt Dreadlock.
Die ‘mevrouw’ is er te veel aan, maar die jongen wil enkel vriendelijk doen natuurlijk.
‘Wonen jullie in het centrum?’ vraag ik.
‘Nee, Destelbergen. Maar we nemen straks vanuit het centrum de bus naar huis. Eerst gaan we iets drinken.’
Hij en zijn vriend moeten een jaar of zeventien zijn. Dat maakt mij twintig jaar ouder. Geschift is dat, hoe de tijd voorbij raast.
‘Heb jij die taak voor Frans al gemaakt?’ vraagt Dreadlock aan Muts.
‘Nee, moet ik vanavond nog doen.’
Dreadlock tikt met zijn vingers mee op de muziek. Ze draaien iets van Pearl Jam, iets van twintig jaar geleden, blijkbaar valt dat bij tieners nog steeds in de smaak. Interessant. Ik moet lachen, die snotapen gebruiken mij, zoals ik dat ook heb gedaan, op hun leeftijd. Zo’n chauffeur zie je dan puur als middel om vlot en gratis van plek a naar plek b te rollen.
‘Waar moeten jullie eruit?’
‘Moet je langs Sint-Jacobs passeren?’ Hij heeft vriendelijke ogen.
‘Nee, maar ik rij wel even om.’
Hij knikt, lijkt het vanzelfsprekend te vinden, misschien is het dat ook. Grappig.
Enkele minuten nadat we ons over het ronde punt aan de Dampoort gewurmd hebben, stop ik aan de bushalte bij Sint-Jacobs.
‘Merci! Tot ziens!’ Dreadlock schenkt me een laatste glimlach.
Muts stapt uit, ook hij lacht naar me. Ik rij weg, ze zwaaien me even na en lopen dan de straat over. In de achteruitkijkspiegel zie ik hen de deur van een café openduwen.
Regen
Ik rij tegen de wind in, het miezert. Bij de winkel doe ik de fiets op slot en loop ik naar binnen. Meteen vergeet ik de regen, de donkere wolken. Dat komt door die lucht, die frisse, pure lucht.
Ze houdt van bloemen, vooral van rozen. Als ik bloemen geef, zie ik die glimlach en neem ik mezelf voor het vaker te doen, maar dan vergeet ik het en zijn we weer een half jaar verder. Straks wil ik die blik in haar ogen zien.
In hoge, ijzeren vazen pronken de rozen. Wit, geel, roze, rood, oranje. De knoppen zijn nog wat gesloten. De uitbaatster komt naar me toe. Ze lacht, ze stapt rustig, hier heerst geen haast, ligt aan die lucht waarschijnlijk. Ik wijs naar de rode rozen.
‘Hoeveel?’ vraagt ze.
‘Twintig,’ zeg ik.
Het geluid van remmende banden doet me schrikken. Tegelijk is er een klap, een man die schreeuwt. Aan de overkant van de straat, net om de hoek van het kruispunt, stoppen auto’s. Enkele voetgangers haasten zich naar de plek. Op de grond ligt een fiets, een wiel draait nog, het andere is geplooid. Ik krijg het koud. De bloemenvrouw haalt de schouders op en schudt het hoofd. Ze zucht. Nadat ze de rozen uit de vaas heeft geplukt, stapt ze naar de toonbank en pakt ze ze in.
Ik zie de fiets en de stilstaande auto’s, maar niet wat net om de hoek gebeurt. Enkele mensen kijken toe.
‘Zo, uw boeket is klaar.’
De folie ritselt en kraakt om de bloemen. Het regent feller dan daarnet. Ik open het slot van mijn fiets en rij weg. Aan het kruispunt zie ik tussen de ruggen en de paraplu’s van de omstaanders de man liggen. Iemand ondersteunt zijn hoofd, zijn ogen zijn open, hij heeft pijn, dat is duidelijk. Verdomme.
Ik rij met een hand aan het stuur, in de andere hou ik het boeket. Het waait hard en de rozen hebben lange stengels, het is onhandig fietsen. In de verte hoor ik eindelijk de sirene. De ambulance raast voorbij, het boeket wappert en kraakt in de wind. Ik probeer aan haar glimlach te denken, straks.