Stress

wk‘Zaterdagavond kan ik niet eten tussen zes en acht. En als het tegenzit zelfs niet voor negen uur,’ zeg ik.
De kinderen zullen gegarandeerd honger krijgen rond zeven uur, Mila zeker, want dat voetbal kan haar gestolen worden. Vóór de match is ook geen optie, dan heeft niemand honger.
‘Ben jij nu al aan het plannen wanneer we zaterdag gaan eten?’ vraagt Liefje.
‘Ik zeg het gewoon maar. En ik kan ook niet koken ná de match, dus we moeten voordien koken, ergens in de namiddag.’
Overdrijf je niet een beetje?
Ik zucht. Ik ben nog steeds moe van de wedstrijd tegen de Verenigde Staten. Toen De Bruyne de 1-0 scoorde schoot Wacko van mijn schoot af, en keek ze gedurende enkele minuten vanop een afstand met grote ogen naar me, zo erg was ze geschrokken. Toen pas voelde ik hoe warm ik het had, hoe mijn nek pijn deed van de spanning, mijn hele lijf eigenlijk, ik was al in tijden niet meer zo nerveus geweest. Enkele weken geleden vond ik die voetballers nog verwende mannetjes die zwaar betaald worden om wat tegen een bal te sjotten. En nu hangt er zoveel vanaf, het is meer dan voetbal, het gaat om de eer, en ik wil dat wij winnen. Wij. De Belgen. Ik heb er geen verklaring voor, het is irrationeel, het drijft puur op emotie.
‘Het is jouw schuld,’ zeg ik. ‘Met die pronostiek van je.’
‘Ja, steek het maar op mij.’
Liefje doet mee aan een WK-pronostiek op haar werk, waardoor ze in de eerste ronde de meeste wedstrijden per se wilde volgen, gewoon voor die pronostiek, omdat ze haar geld wou terugwinnen van die machocollega’s van haar. Eerst keek ik tegen mijn zin mee maar voor ik het wist was ik verkocht aan dat stomme voetbal en aan die Jan Mulder en ook aan die Rode Duivels, al speelden ze aanvankelijk niet zo best.
‘Wie huilde er dinsdag toen Lukaku de 2-0 scoorde?’ vraag ik haar.
Ze rolt met haar ogen. ‘Misschien moeten we gewoon zaterdagmiddag al warm eten, dan geven we de kinderen tijdens de rust een boterham.’
‘Goed idee,’ zeg ik.
‘Dan eten wij nadien, want het zal wel weer zo stresserend zijn dat ik toch geen hap door m’n keel krijg,’ zegt ze.
Het doet me denken aan Mexico ’86, ik was tien en zot van voetbal. Met mijn Panini stickerboek op schoot volgde ik zoveel mogelijk matchen, het overheerste alles. Mijn laatste WK zag ik in ’98 op café in Gent, als student, de wijn boeide me meer dan het voetbal. Sindsdien had ik er lak aan. Tot nu, het is traagjes binnengeslopen en sterker dan mezelf geworden. Ik snap er niks van. Want Liefje was niet de enige die tranen in de ogen kreeg toen Lukaku scoorde dinsdag.

Wieltjes

keizerparkDe zon schijnt, de frisse lucht doet goed en dat is nodig want ik ben helemaal nog niet wakker. Het is maandagochtend, halfnegen. Ik fiets de hoek om, het brugje over, het Keizerpark in. Voor me rijden enkele trage fietsers, ze moeten ook rechtsaf en daardoor moet ik remmen. Dat is irritant. Ik stop, ik wacht wel even tot ze verderop zijn en ik ze probleemloos kan voorbijrijden.
Ik zie een oude vrouw wandelen, ze komt mijn richting uit. Naast haar loopt een hondje, eigenlijk is het niet enkel aan het lopen, het rolt ook. De achterpoten van het dier liggen op een plateau met wielen van stevig rubber. De poten liggen wat uiteen, ze zijn duidelijk volledig verlamd, de hele achterkant van het hondje rust op een kussen. Het lijkt een mengeling van een pekinees met nog iets, het heeft korte krullen. De ogen van het dier blinken, het is oud maar het doet naarstig zijn best op die wieltjes. Het beestje geniet, dat is duidelijk. De vrouw moet rond de tachtig zijn, ze kijkt bezorgd. Is dat om het hondje of heeft ze thuis een zieke man liggen? Misschien is het enkel nog zij en het hondje.
Ik vraag me af hoe dat beestje moet plassen en zo. Lijkt me lastig. Ze zullen er intussen wel iets op hebben gevonden. Misschien gebruiken ze een luier, ik kan het niet goed zien. Er zijn mensen die verlamde dieren in een rolstoel dierenmishandeling noemen. Die pipo’s weten duidelijk niet wat dierenmishandeling is. Of ze vinden zoiets overdreven. Het is makkelijk om iets overdreven te vinden bij een ander. Dit beestje geniet van zijn wandeling, dat is het enige wat telt. De vrouw passeert me, ik sta nog steeds stil, merk nu pas dat de fietsers die me net hinderden al uit het zicht zijn verdwenen. Ik knik de vrouw toe, ze knikt terug en stapt door, samen met het ijverige hondje. Dan fiets ik verder, de brug over. Ik hoop dat ik die twee nog dikwijls mag tegenkomen.

 

Groen

grasWe zitten op het gras, alles is groen, overal zijn er mensen met kinderen, ook veel kraampjes met groene dingen: verse kruiden, gevelplanten en zo. Het is de Dag van het Park. De zon schijnt hard, er is hier te veel volk, en dat terwijl ik gewoon rustig naar de vrijlating van de gerevalideerde wilde vogels wou komen kijken.
‘Ik heb het warm,’ zegt Mila.
‘Doe je jeans dan uit’, zeg ik.
Ze zucht. ‘Nee, Cat.’
‘Je T-shirt is toch lang genoeg?’ Volgens mij draagt ze een T-shirt dat ook als kleedje kan dienen. Ze kijkt naar me alsof ik er niks van ken. Ik steek mijn tong uit. Kasper is aan het voetballen met een jongetje van vijf.
Ik kijk om me heen, het lijkt wel een ledendag van Groen. Honderden fietsen aan de rand van het park. Jonge gezinnen met bakfietsen, korte broeken, sandalen. Niet dat ik ooit naar een ledendag van Groen ben geweest, maar zoiets stel ik me erbij voor.
‘Volgende zondag is het stemming,’ zeg ik tegen een vriendin waar we een pint mee drinken.
‘Ja, dat wordt weer wat,’ zegt ze, en ze rolt met haar ogen.
Inderdaad. Geen enkele partij weet me helemaal te overtuigen. Het is kiezen voor wat nog meevalt, ik zit hier dan wel op mijn plek, want het wordt Groen. Op rood stem ik niet meer, en rechts vind ik vies. Het probleem met Groen is dat het softies zijn, maar liever softies dan rechtse haaien. Ik neem een slok van het bier.
‘Gaan we eindelijk naar die vogels kijken?’ vraag ik.
Enkele minuten later lopen we over de nieuwe paden langs de Meersen. Al dat groen is wel leuk, zo vlakbij ons nieuwe huis. Op de plek waar de vogels worden vrijgelaten staat ook veel volk. We haasten ons de heuvel op om iets te kunnen zien. Drie eenden worden losgelaten. Ze zijn in de war, willen naar de kooi teruglopen waar ze net zijn uit gekomen. De man van het opvangcentrum voor vogels en wilde dieren uit Merelbeke stuurt hen bij. Eenmaal ze de beek in de mot krijgen waggelen ze er resoluut op af en onder luid applaus gaan ze het water in. Dat geeft me een fijn gevoel.
‘Zo, dat was het dan,’ zegt de man van het opvangcentrum. Hij ziet er tevreden uit.
‘Nu hebben we enkel die eendjes gezien,’ zeg ik tegen Liefje.
‘Volgende week zondag laten we weer herstelde dieren vrij op deze plek, iedereen is welkom,’ zegt de man nog.
Goed idee, veel leuker om naar die beestjes te kijken dan naar verkiezingsshows waarin geel zal staan jubelen, samen met dat schijnheilige oranje.

Onnozelaars

mercMama en ik willen op de dijk wandelen. Ik rij door de smalle zijstraten van de Zeelaan, misschien vinden we hier een parkeerplaats. Aan een groot huis staat een auto op de oprit, de bestuurder kijkt uit zijn raampje en ziet me naderen. Een vrouw is bezig de deur van het huis af te sluiten. Wanneer ik op een meter of tien ben rijdt de man de straat op en verspert hij zo voor mij de weg. Zijn vrouw rommelt in haar tas, aan de voordeur.
Het is een dikke Mercedes.
Ik claxonneer. De kerel kijkt zelfs niet om. Ik claxonneer nog eens, langer. De vrouw staat nog steeds bij de voordeur, ook zij kijkt niet op.
‘Wat denkt die vent wel,’ zeg ik.
Mama haalt haar schouders op, Bo de chihuahua zit op haar schoot.
Ik bijt op mijn lip. ‘Ik ga ernaartoe,’ zeg ik.
Het is er eentje te veel vandaag. Op weg van Gent naar hier was het ook al van dat. Aan de afslag Gistel moest een Mitsubishi 4X4 me per se nog voorbijsteken voor hij de afslag zou nemen. Het scheelde een paar meter. Even later haalde ik in, ter hoogte van Nieuwpoort, aan honderddertig, en ineens zag ik in de spiegel een glimmende BMW aan mijn bumper plakken. Die was vanuit het niets verschenen, flikkerde met zijn lichten. Toen ik opzij ging schoot hij ervandoor. Hij moet tweehonderd of sneller hebben gereden.
Ik klop op het raampje van de Mercedes. De man – hagelwit hemd, bordeaux plastron, grijze haren, opgeblazen smoel – kijkt naar me alsof ik lucht ben. Hij laat het raampje zakken.
‘Wat denk jij eigenlijk wel?’ vraag ik.
Intussen stapt de vrouw de auto in. Ze is in de vijftig, geblondeerd, plastiekerig.
Hij bekijkt me van kop tot teen, zegt niks, en het raampje gaat weer omhoog.
‘Onnozelaar,’ zeg ik nog, voor het weer dicht is. Dan loop ik terug naar de Clio.
De Mercedes gaat ervandoor, veel te snel. Als ik terug de auto instap springt Bo enthousiast op mijn schoot.

Lieveheersbeest

lieveheerstbeest‘Wat als ze onrustig wordt? Of begint te huilen?’ vraag ik.
‘Dan neem je maar dat grote lieveheersbeest uit mijn tas. Daar wordt ze rustig van.’
‘Zal ik binnen zo’n yoghurt voor je halen? Dan kun jij bij haar blijven.’
‘Ik weet niet welke smaken er zijn en wat er allemaal op kan,’ zegt E. ‘Dus ik doe het liever zelf. Wees gerust, je overleeft het wel.’
‘Oké,’ zeg ik, en als E. de trappen naar binnen opstapt duw ik de kinderwagen de rij uit.
De baby staart me aan, ze is ongeveer een jaar oud. Haar mondje beweegt, ik hoop dat ze niet meteen begint te huilen nu haar mama uit het zicht is verdwenen. Ik ga op de vensterbank van de frozen yoghurt bar zitten, naast die meterslange rij wachtenden. Ik glimlach vrolijk, voor de baby.
‘Je moet het even met mij doen,’ zeg ik. ‘Mama komt meteen terug.’
Ze blijft naar me kijken, de hele tijd. Ze ziet natuurlijk ook enkel maar mij, en de lucht, en het bovenste deel van de gevels, want ze ligt plat in die kinderwagen. Nu en dan een vogel misschien ook. Maar vooral mij. Wanneer haar mondje meer en meer verwrongen raakt en haar geluidjes op zachte snikken beginnen te lijken ga ik breder glimlachen. Dat maakt het gesnik enkel erger. Ik sta op, open de grote tas die aan de kinderwagen hangt en ga op zoek, ik zie allerlei babyspullen maar geen lieveheersbeest. De baby blijft me volgen met haar ogen.
‘Ik ga je beestje zoeken,’ zeg ik zachtjes. ‘Niet huilen.’
Het plastic ding vind ik helemaal onderin de tas, doordat ik het er te snel wil uitnemen vliegt het uit mijn handen. Ik kan het nog net grijpen voor het tegen de grond zou smakken. Ik geef het aan de baby.
‘Hier, we gaan je muziekje spelen,’ zeg ik, en ik duw op de knop op de rug van het beest. Een vrolijk melodietje weerklinkt, het gesnik verdwijnt, een flauw glimlachje verschijnt, ik ga weer op de vensterbank zitten. In de rij schuiven vooral vrouwen en meisjes aan, de meesten kijken vertederd naar de baby.
‘En? Is het gelukt?’
E. staat naast me, met haar frozen yoghurt. Het gezichtje van de baby klaart helemaal op.

Kleurboek

notarisHet behang heeft verticale strepen in vale kleuren, groen en rood, met gouden versieringen. Aan het hoge plafond prijken ornamenten, alles is wat vergeeld. De tafel waaraan we zitten is groot, er zitten krassen in het hout. Het is zo’n kamer waar het stof eeuwig in het tapijt blijft hangen, een kamer uit een vorig tijdperk. Ik vind hem prachtig.
Liefje en ik zitten aan een lange zijde van de tafel. Aan m’n rechterkant, aan de korte zijde, zit een man van rond de zestig, hij heeft een scherpe blik en ziet er verveeld uit. Hij is de notaris van de verkopers. De mensen tegenover ons zijn in de veertig, de man heeft lange, wat grijzende haren. Een rocker. Over de vrouw hangt iets hippieachtigs, dromerige ogen, zachte uitdrukking. Zij verkopen ons hun huis. We zouden nooit een huis kunnen kopen van mensen die beredeneerd of arrogant overkomen, of die proberen te acteren dat ze dat niet zijn. Het huis viel meteen in onze smaak, die mensen ook. Zij wilden het huis ook niet aan de eerste de besten verkopen, zeiden ze. Ze hadden er vijftien jaar gewoond.
Als onze notaris plots naast me staat schrik ik op. Het is mijn beurt om de akte te tekenen. Onze notaris is een man van halverwege de vijftig, een kop kleiner dan ik, hij draagt een driedelig pak en heeft een olijk gezicht, achter zijn ronde brillenglazen zitten pretoogjes. Hij is de notaris zoals ik me die voorstelde als kind, het prototype van de notaris. Ik neem mijn bic en hij houdt mijn arm tegen, pakt de bic af, drukt zijn pen in mijn hand.
‘We gaan er geen kleurboek van maken hé,’ zegt hij, met een knipoog.
Ik moet lachen. Er staan al groene en blauwe handtekeningen, ik wilde met zwart tekenen.
Ik kijk nog eens naar Liefje. Dan zet ik mijn krabbel, opnieuw en opnieuw, de notaris draait de bladzijden van de akte om, en ik teken. Het is een raar gevoel. Er vliegt van alles door me heen, allerlei gedachten botsen tegen elkaar op, en tegelijk is alles rustig.

Plons!

rolIk drink mijn kop koffie leeg en sta op. Nog even plassen voor we weggaan. Liefje is al vertrokken naar de toiletten, die zijn boven. De koffie was lekker, ik geniet van de smaak die in mijn mond blijft hangen. Als ik de toiletten binnenstap komt Liefje net uit een van de twee hokjes.
‘Heb je papieren zakdoeken bij?’ vraagt ze. ‘Ik heb er anders nog wel enkele. Er is geen toiletpapier.’
Ik toon haar een pakje Kleenex. Intussen stormt een vrouw de toiletten binnen, ze is achter in de veertig. Rosse krullen, bril, deftige broek en jas. Ze loopt het andere hokje binnen en komt meteen weer buiten.
‘Is er toiletpapier bij jou?’ vraagt ze.
‘Nee,’ zeg ik.
Ik bevind me al in het hokje, de vrouw komt heel dicht bij me staan om de rol papier te checken, ik kan haar ruiken, een combinatie van zweet en parfum. Ik ga zo ver mogelijk naar achteren, tot ik met mijn rug tegen de wand sta.
‘Ik kan je wel een paar zakdoeken geven,’ zeg ik.
Ik trek er twee uit het pakje en geef ze haar. Zonder merci te zeggen loopt ze terug haar toilet binnen. Ik kijk naar Liefje, haal mijn schouders op en ga dan ook maar plassen. Dat lukt niet meteen, het zijn van die open hokjes, vanonder en vanboven, ik hou daar niet van. Naast me hoor ik de vrouw rare geluiden maken, ze kreunt en ze zucht, luid.
Er volgt een plons. Dan weer datzelfde gezucht en gekerm, het klinkt heel dichtbij. De nasmaak van de koffie is bitter nu. Komaan, plassen, zodat ik hier weg kan, voor die geur hier binnen komt zweven. Ik haast me, trek door en loop het hokje uit. Liefje staat haar handen te wassen, ze kijkt met een grote frons naar me.
‘Je dacht toch niet dat ik dat was?’ fluister ik.
‘Tuurlijk niet.’ Ze schudt haar hoofd, heel snel, haar ogen zijn groot. Ik was rap mijn handen, het gekreun en het gezucht blijft duren, er weerklinkt nog een plons, en nog een.
‘Kom, we zijn hier weg,’ zeg ik, en ik trek Liefje mee aan haar arm. Op haar voorhoofd nog steeds die frons. We lopen naar buiten, op zoek naar frisse lucht, adem.