Groen

grasWe zitten op het gras, alles is groen, overal zijn er mensen met kinderen, ook veel kraampjes met groene dingen: verse kruiden, gevelplanten en zo. Het is de Dag van het Park. De zon schijnt hard, er is hier te veel volk, en dat terwijl ik gewoon rustig naar de vrijlating van de gerevalideerde wilde vogels wou komen kijken.
‘Ik heb het warm,’ zegt Mila.
‘Doe je jeans dan uit’, zeg ik.
Ze zucht. ‘Nee, Cat.’
‘Je T-shirt is toch lang genoeg?’ Volgens mij draagt ze een T-shirt dat ook als kleedje kan dienen. Ze kijkt naar me alsof ik er niks van ken. Ik steek mijn tong uit. Kasper is aan het voetballen met een jongetje van vijf.
Ik kijk om me heen, het lijkt wel een ledendag van Groen. Honderden fietsen aan de rand van het park. Jonge gezinnen met bakfietsen, korte broeken, sandalen. Niet dat ik ooit naar een ledendag van Groen ben geweest, maar zoiets stel ik me erbij voor.
‘Volgende zondag is het stemming,’ zeg ik tegen een vriendin waar we een pint mee drinken.
‘Ja, dat wordt weer wat,’ zegt ze, en ze rolt met haar ogen.
Inderdaad. Geen enkele partij weet me helemaal te overtuigen. Het is kiezen voor wat nog meevalt, ik zit hier dan wel op mijn plek, want het wordt Groen. Op rood stem ik niet meer, en rechts vind ik vies. Het probleem met Groen is dat het softies zijn, maar liever softies dan rechtse haaien. Ik neem een slok van het bier.
‘Gaan we eindelijk naar die vogels kijken?’ vraag ik.
Enkele minuten later lopen we over de nieuwe paden langs de Meersen. Al dat groen is wel leuk, zo vlakbij ons nieuwe huis. Op de plek waar de vogels worden vrijgelaten staat ook veel volk. We haasten ons de heuvel op om iets te kunnen zien. Drie eenden worden losgelaten. Ze zijn in de war, willen naar de kooi teruglopen waar ze net zijn uit gekomen. De man van het opvangcentrum voor vogels en wilde dieren uit Merelbeke stuurt hen bij. Eenmaal ze de beek in de mot krijgen waggelen ze er resoluut op af en onder luid applaus gaan ze het water in. Dat geeft me een fijn gevoel.
‘Zo, dat was het dan,’ zegt de man van het opvangcentrum. Hij ziet er tevreden uit.
‘Nu hebben we enkel die eendjes gezien,’ zeg ik tegen Liefje.
‘Volgende week zondag laten we weer herstelde dieren vrij op deze plek, iedereen is welkom,’ zegt de man nog.
Goed idee, veel leuker om naar die beestjes te kijken dan naar verkiezingsshows waarin geel zal staan jubelen, samen met dat schijnheilige oranje.

Onnozelaars

mercMama en ik willen op de dijk wandelen. Ik rij door de smalle zijstraten van de Zeelaan, misschien vinden we hier een parkeerplaats. Aan een groot huis staat een auto op de oprit, de bestuurder kijkt uit zijn raampje en ziet me naderen. Een vrouw is bezig de deur van het huis af te sluiten. Wanneer ik op een meter of tien ben rijdt de man de straat op en verspert hij zo voor mij de weg. Zijn vrouw rommelt in haar tas, aan de voordeur.
Het is een dikke Mercedes.
Ik claxonneer. De kerel kijkt zelfs niet om. Ik claxonneer nog eens, langer. De vrouw staat nog steeds bij de voordeur, ook zij kijkt niet op.
‘Wat denkt die vent wel,’ zeg ik.
Mama haalt haar schouders op, Bo de chihuahua zit op haar schoot.
Ik bijt op mijn lip. ‘Ik ga ernaartoe,’ zeg ik.
Het is er eentje te veel vandaag. Op weg van Gent naar hier was het ook al van dat. Aan de afslag Gistel moest een Mitsubishi 4X4 me per se nog voorbijsteken voor hij de afslag zou nemen. Het scheelde een paar meter. Even later haalde ik in, ter hoogte van Nieuwpoort, aan honderddertig, en ineens zag ik in de spiegel een glimmende BMW aan mijn bumper plakken. Die was vanuit het niets verschenen, flikkerde met zijn lichten. Toen ik opzij ging schoot hij ervandoor. Hij moet tweehonderd of sneller hebben gereden.
Ik klop op het raampje van de Mercedes. De man – hagelwit hemd, bordeaux plastron, grijze haren, opgeblazen smoel – kijkt naar me alsof ik lucht ben. Hij laat het raampje zakken.
‘Wat denk jij eigenlijk wel?’ vraag ik.
Intussen stapt de vrouw de auto in. Ze is in de vijftig, geblondeerd, plastiekerig.
Hij bekijkt me van kop tot teen, zegt niks, en het raampje gaat weer omhoog.
‘Onnozelaar,’ zeg ik nog, voor het weer dicht is. Dan loop ik terug naar de Clio.
De Mercedes gaat ervandoor, veel te snel. Als ik terug de auto instap springt Bo enthousiast op mijn schoot.

Lieveheersbeest

lieveheerstbeest‘Wat als ze onrustig wordt? Of begint te huilen?’ vraag ik.
‘Dan neem je maar dat grote lieveheersbeest uit mijn tas. Daar wordt ze rustig van.’
‘Zal ik binnen zo’n yoghurt voor je halen? Dan kun jij bij haar blijven.’
‘Ik weet niet welke smaken er zijn en wat er allemaal op kan,’ zegt E. ‘Dus ik doe het liever zelf. Wees gerust, je overleeft het wel.’
‘Oké,’ zeg ik, en als E. de trappen naar binnen opstapt duw ik de kinderwagen de rij uit.
De baby staart me aan, ze is ongeveer een jaar oud. Haar mondje beweegt, ik hoop dat ze niet meteen begint te huilen nu haar mama uit het zicht is verdwenen. Ik ga op de vensterbank van de frozen yoghurt bar zitten, naast die meterslange rij wachtenden. Ik glimlach vrolijk, voor de baby.
‘Je moet het even met mij doen,’ zeg ik. ‘Mama komt meteen terug.’
Ze blijft naar me kijken, de hele tijd. Ze ziet natuurlijk ook enkel maar mij, en de lucht, en het bovenste deel van de gevels, want ze ligt plat in die kinderwagen. Nu en dan een vogel misschien ook. Maar vooral mij. Wanneer haar mondje meer en meer verwrongen raakt en haar geluidjes op zachte snikken beginnen te lijken ga ik breder glimlachen. Dat maakt het gesnik enkel erger. Ik sta op, open de grote tas die aan de kinderwagen hangt en ga op zoek, ik zie allerlei babyspullen maar geen lieveheersbeest. De baby blijft me volgen met haar ogen.
‘Ik ga je beestje zoeken,’ zeg ik zachtjes. ‘Niet huilen.’
Het plastic ding vind ik helemaal onderin de tas, doordat ik het er te snel wil uitnemen vliegt het uit mijn handen. Ik kan het nog net grijpen voor het tegen de grond zou smakken. Ik geef het aan de baby.
‘Hier, we gaan je muziekje spelen,’ zeg ik, en ik duw op de knop op de rug van het beest. Een vrolijk melodietje weerklinkt, het gesnik verdwijnt, een flauw glimlachje verschijnt, ik ga weer op de vensterbank zitten. In de rij schuiven vooral vrouwen en meisjes aan, de meesten kijken vertederd naar de baby.
‘En? Is het gelukt?’
E. staat naast me, met haar frozen yoghurt. Het gezichtje van de baby klaart helemaal op.

Kleurboek

notarisHet behang heeft verticale strepen in vale kleuren, groen en rood, met gouden versieringen. Aan het hoge plafond prijken ornamenten, alles is wat vergeeld. De tafel waaraan we zitten is groot, er zitten krassen in het hout. Het is zo’n kamer waar het stof eeuwig in het tapijt blijft hangen, een kamer uit een vorig tijdperk. Ik vind hem prachtig.
Liefje en ik zitten aan een lange zijde van de tafel. Aan m’n rechterkant, aan de korte zijde, zit een man van rond de zestig, hij heeft een scherpe blik en ziet er verveeld uit. Hij is de notaris van de verkopers. De mensen tegenover ons zijn in de veertig, de man heeft lange, wat grijzende haren. Een rocker. Over de vrouw hangt iets hippieachtigs, dromerige ogen, zachte uitdrukking. Zij verkopen ons hun huis. We zouden nooit een huis kunnen kopen van mensen die beredeneerd of arrogant overkomen, of die proberen te acteren dat ze dat niet zijn. Het huis viel meteen in onze smaak, die mensen ook. Zij wilden het huis ook niet aan de eerste de besten verkopen, zeiden ze. Ze hadden er vijftien jaar gewoond.
Als onze notaris plots naast me staat schrik ik op. Het is mijn beurt om de akte te tekenen. Onze notaris is een man van halverwege de vijftig, een kop kleiner dan ik, hij draagt een driedelig pak en heeft een olijk gezicht, achter zijn ronde brillenglazen zitten pretoogjes. Hij is de notaris zoals ik me die voorstelde als kind, het prototype van de notaris. Ik neem mijn bic en hij houdt mijn arm tegen, pakt de bic af, drukt zijn pen in mijn hand.
‘We gaan er geen kleurboek van maken hé,’ zegt hij, met een knipoog.
Ik moet lachen. Er staan al groene en blauwe handtekeningen, ik wilde met zwart tekenen.
Ik kijk nog eens naar Liefje. Dan zet ik mijn krabbel, opnieuw en opnieuw, de notaris draait de bladzijden van de akte om, en ik teken. Het is een raar gevoel. Er vliegt van alles door me heen, allerlei gedachten botsen tegen elkaar op, en tegelijk is alles rustig.

Naar de Albert Heijn

mehDe kinderen zitten op de achterbank, we hebben ze net afgehaald van school.
‘Halen we iets om te eten in de Albert Heijn?’ vraagt Liefje. ‘Het is hier vlakbij en ik wil het wel eens zien.’
‘Ja, ik ook,’ zeg ik.
We naderen het nieuwe stadion van AA Gent. Wat is dat ding toch gigantisch en lelijk. De Albert Heijn hebben ze er blijkbaar ingebouwd.
Even later rijden we met een kar de winkel binnen.
‘Mogen we iets uitkiezen?’ vraagt Mila.
‘Een drankje en nog iets anders ook?’ vraagt Kasper.
Liefje zegt ‘ja’ en de kinderen rennen weg, op zoek naar de beste buit. Wij blijven achter, tussen het fruit en de groenten. En tussen veel volk. Ik rij de kar meteen klem. Naast en voor mij staan mensen op hun gemak naar paprika’s en courgettes te kijken. Ik zucht. Liefje ook.
‘We proberen dit zo snel mogelijk te doen,’ zegt ze. ‘Goed?’
Ik knik en wring de kar tussen enkele mensen door. Het leek nochtans rustig. Die grote parking vertekent de realiteit natuurlijk, en hierbinnen is het best krap.
Vijf minuten later, op de zuivelafdeling, hou ik het bijna niet meer uit. Het lijkt alsof de mensen opzettelijk voor mijn kar komen lopen. Ik kijk naar Liefje. ‘Ben ik nu gewoon onverdraagzaam of loopt het hier vol debielen?’ vraag ik.
Ze haalt haar schouders op. ‘Ja, ze mogen hun Albert Heijn hébben,’ zegt ze.
Kasper en Mila zigzaggen enthousiast tussen karren naar ons toe met elk een flesje cola en een pakje snoep. Omdat ik iemand in mijn nek voel ademen duw ik de kar verder. Pas een eind voorbij de hoek kijk ik achterom, Liefje, Kasper en Mila zijn nergens te bespeuren. Ik schuifel voorbij een tafeltje met een koffieautomaat. Daar zit een vrouw van in de zestig, haar sacoche op schoot, ze drinkt koffie en eet een gratis koekje. De vrouw is onverstoorbaar rustig, op dat drukke kruispunt tussen al die karren, dat doet me glimlachen. Ze heeft geen boodschappen bij. Is ze hier enkel om gratis koffie te drinken? Ik neem een beker en vul hem met koffie.
Omdat er zowel rechts als links iemand tegen me aan staat te duwen die ook koffie wilt, maak ik me uit de voeten en sla ik links af, daar is weinig volk. Ik parkeer de kar in een verlaten hoekje bij de flessen water en drink van de koffie. Die is niet lekker maar ook niet slecht. Ik wacht hier wel tot Liefje passeert.

De eikel

de_eikel‘Het was stom van je,’ zegt de man. ‘Weer eens.’ Zijn stem klinkt kil.
De vrouw kijkt naar hem. ‘Sorry,’ fluistert ze.
‘Het is altijd hetzelfde met jou. Kun jij dan nooit eens iets goéd doen?’
De vrouw heeft een keurig kapsel, bruine haren tot op de schouders, ze moet een jaar of veertig zijn. Het haar van de man is kort, met grijze tinten erin. Hij is wat ouder dan haar. Er hangt iets duurs over hen, zal wel aan dat pak liggen, en haar mantel lijkt ook niet meteen goedkoop. Dat doet hen opvallen, hier op de tram.
Aan de vorige halte stapten ze op en kwamen ze voor me zitten. De man had een heel boze blik, je kon er niet naast kijken.
‘Je doet nooit wat ik je vraag.’
‘Sorry schat,’ zegt de vrouw. Ze legt de klemtoon op de ‘sorry’, het klinkt vermoeid.
De tram passeert voorbij de straat waar Liefje en ik binnenkort gaan wonen. Ik probeer tijdens die ene seconde ons huis te zien, in de verte. Het zoeft altijd zo snel voorbij.
‘Alsof een sorry kan helpen, je maakt me belachelijk.’
‘Dat is niet mijn bedoeling.’
‘Het is nooit je bedoeling. Denk toch eens nà voor je iets doet. Heb jij dan echt geen verstand?’
De vrouw kijkt door het raam, ik zie haar gezicht in profiel. Haar ogen zijn vochtig. Hier zit iets scheef, iets fundamenteels. Het doet er niet toe wat zij zogezegd verkeerd heeft gedaan, het is de manier waarop hij de dingen zegt, die minachting.
De straten glijden voorbij. Het blijft stil voor me. Zij kijkt naar buiten, hij is met zijn iPhone bezig.
Na enkele haltes staat de vrouw op. ‘Ben je zéker dat we er hier af moeten?’ vraagt hij.
Ze knikt.
‘Echt? Ik zal me er maar op voorbereiden dat het weer verkeerd is zeker?’
De vrouw reageert niet en stapt naar de deur. De man volgt haar, zijn mond staat verwrongen. Wanneer de tram afremt kruist zijn blik de mijne. Ik toon hem mijn middelvinger. Hij schrikt, fronst, kijkt snel de andere kant op. Dan stappen ze uit.
Als de tram even later weer in beweging komt zie ik hen nog. Hij loopt enkele meters voor haar, zij houdt met haar hand de kraag van haar mantel dicht.

De dvd-speler

spiderman‘Kom binnen,’ zeg ik.
De man laat zijn regenjas aan het stuur van zijn fiets hangen. Het is een gammele fiets en het regent dat het giet. Een kwartier geleden mailde ik met de vrouw van de man, ze zei dat hij met de fiets zou komen, uit Sint-Amandsberg, ik zei dat het gerust ook morgen mocht, met die regen. Hij is al onderweg, mailde ze, dat is niet erg.
De man veegt zijn voeten uitgebreid af aan de mat. ‘Altijd respect tonen voor de mensen die het huis proper houden,’ zegt hij.
Hij heeft bijna geen tanden meer, zijn wangen zijn ongeschoren, zijn ogen vriendelijk. Hij is ergens in de zestig.
Ik neem hem mee de living in, naar de hoek waar de tv staat. In het menu van de Spider-Man dvd druk ik op de knop om de film af te spelen. Het logo van Columbia verschijnt.
‘Oké,’ zegt de man.
Ik haal Kaspers Spider-Man eruit en ontkoppel de dvd-speler. De man trekt een vuilniszak uit zijn achterzak, stopt de dvd-speler erin. Dan duwt hij alles in een plastic tas van de Aldi. Ik geef hem de afstandsbediening, ik had er nieuwe batterijen in gestopt om te testen. Die zou ik er nadien weer uit halen maar dat hoeft niet meer.
Hij haalt geld uit zijn zak, de vijftien euro die ik met zijn vrouw was overeengekomen op 2dehands.be.
‘Tien euro is ook goed,’ zeg ik.
Hij aarzelt en stopt dan het briefje van vijf weg. ‘Is dat voor mijn mooie glimlach?’ vraagt hij.
Ik moet lachen. ‘Ja,’ zeg ik.
Eigenlijk zou ik hem de dvd-speler gratis willen geven maar dat zou hij niet appreciëren, denk ik. Die aarzeling van daarnet duurde te lang.
Hij kijkt naar iets op de tafel, een stylo, hij neemt hem vast en bestudeert hem. ‘Die ken ik niet,’ zegt hij. ‘Ik verzamel ze, ik heb er al meer dan tienduizend. Een paar dozen vol!’
‘Pak maar mee,’ zeg ik.
Hij knipoogt en stopt het ding in zijn binnenzak die al vol steekt met andere stylo’s.
Ik trek de deur voor hem open, hou de dvd-speler vast terwijl hij zijn regenjas aantrekt. Dan bindt hij de tas van de Aldi op de bagagedrager van de fiets.
‘Gaat dat niet te veel daveren?’ vraag ik.
‘Nee hoor meisje, de slechte stukken doe ik te voet. Goeienavond nog!’
Hij stapt met de fiets de straat op en rijdt weg, voorzichtig, de duisternis en de gietende regen in.

De container

puinIk kieper de koffietassen in de container, ze breken. Het is een triest zicht, hoe ze daar liggen in de motregen tussen de kapotte bakstenen en wc-potten. Pas nu merk ik de paarse vogel op. Hij is in tweeën gebroken, zijn pootjes zijn eraf, ik heb jarenlang niet meer op die vogel gelet, niet meer uit die tas gedronken. Ik studeerde nog toen ik de tas op café had meegepikt. Ik buig me over de rand van de container, de vogel houdt nog steeds de worm in zijn snavel. Ik zie de vriendin voor me met wie ik op café zat die keer, ze moest giechelen omdat ik de tas onder mijn jas had verborgen toen we vertrokken. Die vriendin heb ik al jaren niet meer gezien, ik heb ook al jaren niet meer aan haar gedacht.
Net heb ik nog Wacko’s versleten krabpaal in een container gegooid. Hij werd meteen platgedrukt door zo’n automatisch duwmechanisme, ik hoorde het hout kraken en moest slikken, ze had die krabpaal sinds ze een kitten was. En nu die tas.
Terwijl ik naar de gebroken vogel sta te staren valt er van alles in de container, het klinkt luid en er waait een boel stof op. Dat stof bedekt de restanten van de tassen, enkel de contouren blijven, de vogel is weg. Ik kijk naar de man naast me. Hij is een jaar of vijftig, draagt werkkleren, op zijn gezicht staan zwarte vegen, hij zit onder het stof. Hij schudt de zak van dik plastic uit. Als hij merkt dat ik naar hem kijk trekt hij zijn wenkbrauwen op. Ik draai me om en stap weg. Bij de container staat een bord met daarop ‘steenpuin’. Stom dat de paarse vogel nu tussen dat puin ligt maar het is de goeie container, ik heb het daarnet gevraagd aan een van de mannen die hier werken.

De kerstboom

boom‘Beginnen we er dan aan?’ vraag ik.
‘Ja,’ zegt Liefje.
Morgen moet de boom er staan, dan komen de kinderen en zullen ze de boom versieren. Ik open de doos. Hij zit vol takken met dichtgevouwen zijtakken, aan elke tak is een haak bevestigd.
Liefje zucht. ‘Dat zal zo’n mismaakt ding zijn.’
Ik neem de grootste stukken uit de doos en schuif ze in elkaar.
‘Hier, de stam,’ zeg ik.
Liefje duwt de stam in de voet en kiepert dan de doos om. Alle takken vallen op de grond. Het zouden er dertig moeten zijn. Liefje vouwt de takken open en ik bevestig ze aan de stam. Een kwartier later staat de boom, hij ziet er heel erg nep uit.
Een echte boom in de living dood laten gaan is te triest. De naalden die door de warmte uitvallen, de boom die verdort met al die lichtjes en slingers en ballen eraan. Het heeft iets macabers.
Liefje opent de verpakking met de lichtjes.
‘Ga je dat nu al doen?’ vraag ik.
‘Ja, zonder trekt het op niks.’
Ze hangt de lichtjes in de boom, dat helpt inderdaad. Dan neemt ze de doos met de ballen en ze hangt er enkele in.
Die boom moet hier minstens drie weken staan. Veel te lang. Vroeger, toen ik alleen woonde, merkte je bij mij niet eens dat het kerst was.
‘Zouden Kasper en Mila de boom mooi vinden?’ vraagt ze.
‘Zij zullen hem fantastisch vinden. Zij wel, ja.’
‘Tja,’ zegt ze. ‘Ik zou er ook liever geen zetten, maar die lichtjes hebben wel iets gezelligs.’
Wacko loopt naar de boom en bijt in een tak. Dat doet de boom een beetje bewegen.
‘Wacko! Niet doen!’ zegt Liefje.
Wacko negeert haar, slaat met haar poot tegen een kerstbal. De bal valt en breekt, en Wacko spurt met een kirrend geluidje weg.
Dat vind ik heel grappig.

Het bankje

sinterklaasHet is koud en het regent, ik loop snel het winkelcentrum binnen. Veel mensen hier. Ik koop een belegd broodje bij de Panos en neem dan de roltrap naar de onderste verdieping. Daar staan zes bankjes, een ervan is vrij. Ik ga zitten en begin te eten.
Midden in het winkelcentrum staat de troon van Sinterklaas. Als kind vond ik het vervelend langs zo’n troon te moeten gaan. Iedereen zat te kijken, ouders, andere kinderen, leraars, en dan vroeg die Sint met zijn stinkende adem of je braaf was geweest en lag die hand met de witte handschoen op je schouder.
Een vrouw stapt op mijn bankje af, ze heeft een brooddoos mee. Tegelijkertijd komt een kale man naar het bankje. Hij heeft een broodje bij van de Panos. De vrouw bereikt het bankje eerst en gaat zitten. De man zucht luid, hij doet teken naar een andere man, dan wijst hij naar de plek tussen de vrouw en ik.
‘We kunnen daar nog tussen,’ zegt hij tegen zijn vriend.
Dat kan hij niet menen, toch? De vrouw en ik zitten elk aan een kant van de bank, de plek tussen ons is minder dan een meter breed. Die twee kerels kunnen hier niet zitten zonder tegen ons aan te plakken.
De kale gaat zitten, naast de vrouw, en hij wenkt de andere man. Die kijkt naar mij. ‘Heb je er iets tegen dat ik naast je kom zitten?’ vraagt hij.
‘Eigenlijk wel,’ zeg ik. ‘Ik kan zo niet eten.’
De man knikt. ‘Tuurlijk, sorry,’ zegt hij.
De kale kijkt nijdig naar me en bijt in zijn broodje, hij blijft zitten. De andere man blijft voor het bankje staan en scheurt de verpakking van zijn broodje open.
Gezellig. Ik zucht en sta op.
‘Ga jij maar zitten,’ zeg ik tegen de man die staat. ‘Ik ben hier weg.’
‘Asjeblieft, blijf zitten, ik sta hier goed,’ zegt hij.
‘Het is oké, voor mij is het hier toch te druk,’ zeg ik.
Ik neem een hap van mijn broodje en loop langs de troon van Sinterklaas naar de Match. De winkel heeft grote, glazen ramen. Ik ga tegen een pilaar leunen, van hieruit zie ik de kaasafdeling.
Achter het glas rolt een oude man zijn winkelkar tot bij de voorverpakte, vers gesneden kazen en neemt hij een pakje op. Hij drukt erin met zijn wijsvinger, dan legt hij het terug, neemt een ander pak op, drukt er weer in, zo doet hij dat met een tiental pakken. Dan merkt hij me op en fronst hij. Het pak kaas dat hij vast heeft gooit hij in zijn kar en hij schuifelt verder. Ik bijt in het broodje. Op het glazen dak van het winkelcentrum tikken nog steeds de regendruppels.