De baby

De baby is twee maanden oud. En nogal groot. Het is pas de vijfde baby die ik in mijn leven van dichtbij zie, veel ervaring heb ik niet, maar Liefje verzekert me dat het een heel grote baby is. Zijn gewicht en grootte komen niet voor op de tabellen van Kind & Gezin, zeggen de mama’s. De trots spat van hen af.
Kasper steekt zijn vinger uit en de baby grijpt hem vast. Er zit kracht in die handjes. Kasper praat onophoudelijk met de mama’s, mensen die hij tot een uur geleden nooit had gezien. Ook zijn zus ratelt het ene verhaal na het andere af. Liefje en ik hoeven niks te zeggen. We zijn toeschouwers. De kersverse mama’s ken ik langer dan ik Liefje en de kinderen ken, het is de eerste keer dat ze me zien met Kasper en Mila erbij.
Kasper kijkt naar me, zijn pink omklemd door de vingers van de baby. Ik steek mijn tong uit. Hij lacht, hij weet wat ik denk. Een paar uur geleden zat hij nog te pruilen in de zetel, toen ik hem zei dat hij de Playstation moest afzetten.
‘Baby’s zijn stom. Ze slapen de hele tijd en doen niks anders dan luiers volkakken. Hoe saai is dat? Bah.’
‘Waarom moet ik meegaan naar een baby van mensen die ik niet eens ken? Zo dom! Stel je voor dat jij mee zou moeten naar de baby van de broer van mijn juf. Of zo.’
‘Hebben ze daar een Playstation?’
‘Ik kan toch alleen thuisblijven? Ik ben elf.’
Zijn ogen heb ik nooit zo gezien. Ze staan zacht, rustig, en tegelijk verwonderd. Er zit iets kwetsbaars in. Hij lijkt wel verliefd op die baby. En daarnet moest hij de wereld nog redden.

BMX-park

Stom idee van me het pad te verlaten, straks hou ik er een lekke band aan over. Mijn fiets zakt weg in de takken, bladeren, losse aarde. Ik laat hem voorop rijden. Hij heeft er geen last van met zijn BMX. Na enkele minuten bereiken we wat hij noemt het BMX-park. We rijden het parcours op, hij voorop. Ik kan niet volgen, mijn fiets is te groot en mijn trappers blijven steken op enkele van die bulten. Hij kijkt om, wacht.
‘Rij maar! Op mij hoef je niet te letten!’ Ik stap van mijn fiets en wandel ermee verder.
Ik parkeer de fiets op een open plek en ga tegen een boom leunen. Hij is een nieuw rondje begonnen. Vanuit het grasveld aan de overkant zie ik twee jongens aan komen fietsen. Ik kijk naar hen en dan naar Kasper. Die jongens zijn zeker twee jaar ouder. Hij lijkt zo klein ineens. Zo braaf ook, met die fietshelm op en zijn rode wangen. Die jongens zijn niet bang voor een vechtpartij meer of minder, dat zie je zo. De grootste scheurt het parcours op, net voor Kasper, zodat hij tussen hen in geklemd komt te zitten. Ik voel mijn spieren opspannen. Ik stap dichterbij, zodat ik alles kan zien. Kasper aarzelt, kijkt naar de jongen achter zich, wil hem laten voorgaan, maar die zegt ‘nee, ga jij maar’. Ik blijf ingespannen kijken, knijp mijn vuisten samen. Als ze hem iets durven toeroepen, omdat hij te traag rijdt of zo, dan dan dan… Kasper fietst verder, over de bulten, behoedzaam, kijkt af en toe achterom, naar de jongen die hem volgt. Waar ik sta, fietst hij het parcours af en stopt. Hij stapt van zijn BMX.
‘Wil je niet nog een toertje doen?’
‘Ik ga wachten tot die twee weg zijn.’
Hij kijkt in mijn ogen, ik in de zijne.
‘Ik snap het, maar je moet je niet inhouden voor die twee.’
‘Doe ik toch niet,’ klinkt het stoer.

En daar zitten ze dan…

In de achteruitkijkspiegel vind ik hen niet terug. Ze zijn te klein. Kasper en Mila, negen en zes, broer en zus. Achter in de auto. Mijn onwennigheid probeer ik te maskeren door de radio luid te zetten. ‘Paradise City’ van Guns ’n Roses. Als ik omkijk, zie ik bewegende hoofdjes en vingertjes die mee de maat slaan.
Hier en daar hebben vrienden een baby, maar geen mensjes die babbelen en een mening verkondigen. De laatste keer dat ik met een negenjarige heb gepraat was ik zelf negen. Vijfentwintig jaar geleden dus. Stiekem hoop ik dat de koters me leuk vinden.
Ik vervoer twee schatten. Niet in de melige zin van het woord, daarvoor ken ik hen nog niet goed genoeg. Nee, voor twee mensen zijn deze kinderen het meest dierbare wat op de aardbol rondloopt. Voor Liefje, en voor haar ex. Als ik mijn auto nu in de prak rij, draag niet enkel ik daar de gevolgen van.
‘Paradise City’ vloeit over in ‘Use Somebody’ van Kings of Leon. Ik kijk achterom en zie dat het goed is.