Volgens de buienradar blijft het nu even droog. Gigantische regenzones links en rechts van Gent, over een half uur weer regen. Uit het raam kijken heeft geen zin, de lucht is grijs, het valt niet te voorspellen. Ik moet naar de winkel. Straks maak ik courgettesoep, ik heb soepgroenten, aardappelen en uien nodig. De rest is er.
Over een natte weg fiets ik naar de Aldi, die winkel is het dichtstbij, een halve kilometer. Het regent niet maar in de verte ziet het zwart.
Ik duw vijftig cent in een kar en loop naar binnen. Er is niet veel volk, dat is goed, op enkele minuten vind ik wat ik zoek. Ook aan de kassa valt het mee, twee mensen voor en ze hebben slechts een paar dingen bij. Ik betaal en gooi alles in mijn rugzak.
Buiten zet ik de kar weg, de wolken komen gevaarlijk dicht. Als ik de slagerij passeer denk ik eraan dat ik nog boterhamworst zou kopen voor de kinderen. Eén iemand staat voor, dat moet lukken. Ik ga binnen, de geur van vlees en reinigingsmiddelen overvalt me, dat is altijd een beetje volhouden. De vrouw voor me bestelt een stuk lunchworst. Op de toonbank liggen al heel wat pakjes. Dan vraagt ze honderdvijftig gram kip-curry, daarna honderdvijftig gram vleessalade, dan weer honderd gram americain préparé. In dat laatste potje zit twintig gram te veel, de verkoopster haalt het er weer uit. Op haar gemak.
‘En dan nog anderhalve kilo gemengd gehakt.’
Ik kijk buiten, de wolken zijn aangekomen.
‘En vier biefstukken.’
De verkoopster wijst haar enkele voorgesneden stukken aan.
‘Ik zou liever hebben dat je ze vers afsnijdt.’
Mijn handen zijn vuisten, ik voel iets wat op agressie lijkt. Samen met haar glimlach verdwijnt de verkoopster naar achteren. Even later komt ze terug met vier biefstukken.
‘En dan nog zes brochetten.’
Ik bijt in de rug van mijn hand.
‘Nog iets, mevrouw?’
‘Dat is alles.’
De vrouw betaalt vijfentachtig euro en verlaat de slagerij, samen met haar Aldikar.
De verkoopster kijkt naar me, haar lach is breed. ‘En voor u, mevrouw. Astublieft?’
‘Vijftien schelletjes boterhamworst graag.’
Ze neem de plakken van een berg en verpakt ze. ‘Nog iets?’
Ik schud het hoofd.
‘Dat is dan een euro tien, astublieft. Hebt u uw klantenkaartje mee?’
‘Heb ik niet,’ zeg ik. Ik geef het geld en zie dikke spetters tegen de ruiten spatten.
‘Astublieft, mevrouw!’ zegt de verkoopster enthousiast.
‘Merci!’
Ik stop het pakje in mijn rugzak, stap door de schuifdeuren naar buiten en adem diep in. Het regent hard maar wachten is onnozel, dit houdt niet snel op. Slim van me, ik heb zelfs geen jas mee. Terwijl ik naar mijn fiets ren zie ik de vrouw die zonet voor me stond, ze rijdt in een BMW over de parking, naar de uitgang.
Auteur: Cat Calcoen
Op de luchthaven
‘De vlucht is overboekt, ik weet niet of ik jullie nog kan inchecken.’
‘Kan niet,’ zegt Liefje. ‘Die vlucht hebben we betaald, meteen bij de reservering. In mei.’
‘Ja, maar hij is overboekt.’ Ze zegt het alsof het de normaalste zaak van de wereld is en belt iemand op. Ik hoor niet wat ze zegt, ze luistert en fronst vooral, dat duurt enkele minuten. Dan legt ze in.
‘Jullie hebben geluk. Maar check de volgende keer online in, dat is veiliger.’
Ik zet mijn koffer op de band. Online inchecken dus, zijn wij achterlijk of zo?
‘Om kwart voor elf begint het boarden aan gate 57,’ zegt de vrouw. ‘Aan boord wordt uitzonderlijk geen maaltijd geserveerd, maar u krijgt een bon van acht euro om een snack mee te kopen.’
Ik kijk op mijn gsm, het is al over half tien. Bijna een uur hebben we aangeschoven aan de incheckbalie, de hele ochtend moesten we racen om hier op tijd te geraken.
We haasten ons naar de douanecontrole, ik neem een bak en leg er mijn rugzak in, mijn sleutels. Mijn riem blijft steken aan de lussen van mijn jeans, ik moet eraan sleuren. Liefje loopt door de detector en dat zorgt voor gepiep. Terwijl ik mijn riem weer de lussen induw moet ze haar schoenen uitdoen en met plastic hoesjes om haar voeten door de detector stappen. Geen gepiep deze keer.
We gaan verder, de taksvrije zone in, naar een zaak waar ze belegde broodjes verkopen. Er schuiven veel mensen aan.
Om vijf voor elf lopen we op de automatische banden naar gate 57. Dat gaat zo snel vooruit dat ik bijna struikel als we weer een stuk gewoon moeten stappen. Ik voel me opgefokt, om de een of andere reden stel ik me de luchthaven altijd romantischer voor.
Gate 57 komt in zicht, het boarden is bezig maar de rij is nog lang.
‘Gaan we snel even plassen?’ vraagt Liefje.
‘Ja, ik ga ook liever niet op het vliegtuig.’
In de toiletten staan enkele vrouwen voor, het gaat traag. Als ik weer buiten kom is Liefje al vertrokken, ik tref haar aan in de hal, ze is in haar rugzak aan het graaien, haar ogen zijn groot.
‘Ik ben m’n boardingpass kwijt,’ zegt ze. ‘Heb jij ‘m?’
Aan de hak van haar schoen kleeft toiletpapier maar dat zeg ik nu best niet. Ik voel in mijn achterzak, daar zit enkel mijn kaart. ‘Misschien heb je hem in het toilet verloren?’
Ze loopt naar de toiletten, haar rugzak laat ze liggen. Ik pak hem op en loop achter haar aan. De rij aan gate 57 is bijna verdwenen.
‘Naar welk toilet ben je geweest?’ Er zijn vier toiletten, ze zijn allemaal bezet.
Ze wijst een deur aan.
‘Misschien is het geen probleem,’ zeg ik. ‘Je hebt je identiteitskaart en je bent geregistreerd voor de vlucht. Ze kunnen dat toch opzoeken?’
‘Het is wél een probleem!’
De deur gaat open, een vrouw komt buiten. Liefje loopt binnen, kijkt rond en zucht. ‘Hij ligt hier niet!’ Ze pakt haar rugzak uit mijn hand, loopt weg. Ik zie iets liggen onder de vuilnisbak in het toilet. Het is de kaart, haar naam staat erop. De vrouw die net het bewuste toilet verliet staat haar handen te wassen. Ze bekijkt me nieuwsgierig.
In de hal is Liefje weer in haar rugzak aan het rommelen, het toiletpapier plakt nog steeds aan haar hak. Ik zwaai met de boardingpass en zie de opluchting op haar gezicht. Ze lacht, ik ook.
‘Er hangt wc-papier aan je hak,’ zeg ik.
Ze schopt het eraf en we lopen naar gate 57 waar enkel nog een man van TAP Portugal staat. Hij fronst, tikt met zijn vinger op zijn horloge en laat ons door, de trap naar het vliegtuig op.
Blind
Ik plof neer op een stoel en kijk naar buiten, naar de Brusselsesteenweg in de regen. De natte paraplu ligt bij mijn voeten. Vannacht lag ik te laat in bed, ik heb maar een uur of vijf geslapen, ik snak naar nog een koffie. Er zit veel volk op de tram, altijd als het regent.
‘Excuseer?’
De stem klinkt heel dichtbij, het moet de vrouw zijn die achter me zit. Heeft ze het tegen mij? Dat kan bijna niet anders. Ik heb geen zin om te reageren.
‘Excuseer?’
Ik zucht en draai mijn hoofd. ‘Ja?’
Ik praat nooit op de tram, zeker niet om acht uur ’s ochtends, de tram dient om rustig wakker te worden, zonder gedoe.
De vrouw op de stoel achter me glimlacht, ze is een jaar of zestig. Ondanks de regen draagt ze een zonnebril.
‘Mevrouw,’ zegt ze, ‘kun je me zeggen of dit de 21 of de 24 is?’
Wat voor vraag is dat nu?
‘De 21.’
Pas nu merk ik de stok op die ze bij zich heeft, de witte stok. Door de brillenglazen heen zie ik haar ogen naast me kijken. De ergernis verdwijnt meteen, goed dat ze mijn gezicht niet heeft gezien. Hoewel, ze kan het aan mijn stem gehoord hebben.
‘Dan moet ik straks overstappen op de 4, aan de Zuid. Dan weet ik dat nu.’
‘Lijkt me lastig, dat zelf niet kunnen zien.’
Ze begint te vertellen, over hoe ze een auto-ongeval heeft gehad toen ze dertig was, op de snelweg. Een auto reed haar aan en ging ervandoor. Ze lag vijf maanden in coma en daar is ze van hersteld, enkel die blindheid is gebleven. Ze praat luid, ze lacht veel, het is leuk om naar haar te luisteren. Intussen vult de tram zich bij elke halte met meer mensen, ze kijken naar ons. De blinde vrouw is op weg naar een dagcentrum waar ze met andere slechtzienden kan praten en ook wat kan werken. Daar houdt ze van, zegt ze. Ze komt graag buiten, neemt vaak de tram.
‘Hoe weet je waar je moet uitstappen?’ vraag ik. Niet elke tram heeft zo’n stem die de haltes aankondigt.
Ze lacht. ‘Ik ken élk hobbeltje en élke bocht van élke tramroute in Gent. Ik weet altijd perfect waar ik ben.’
Aangekomen aan de Zuid staat ze op en stapt ze naar de deur. Het is een kleine tram, ik ben bang dat ze ergens tegen zal stoten of over iets zal struikelen of weet ik veel wat, maar ze beweegt vlotter dan de meeste mensen. Op het aankondigingsbord bij het perron staat dat tram 4 over vijf minuten zal aankomen. Dat zeg ik haar.
‘Dank je,’ zegt ze. ‘En tot de volgende keer! Ik zal je wel herkennen.’
‘Oh ja?’
‘Aan je geur. Je ruikt naar vanille. Iedereen heeft een andere geur.’
Ik moet lachen, zij ook. Ik open mijn paraplu, stap weg en zwaai naar haar, hoewel ik weet dat ze me niet ziet. Ze ziet niemand, maar iedereen ziet haar, zoals ze daar staat, onder dat afdak, met haar tas en paraplu aan haar arm en die witte stok. Kwetsbaar en tegelijk ook niet, ze straalt iets heel sterks uit. Ik stap verder, kijk nog verschillende keren om, tot ze uit het zicht is verdwenen.
Kapotte deur
Ik wacht op de tram. Het is kwart over zes, ik ben klaar met werken. Voor me staat een kerel van De Lijn, in korte broek, met op zijn kuit een tatoeage, een tribal. Zijn haar is strak naar achteren gekamd in een staart, hij heeft bakkebaarden, brede schouders en een bierbuik. Hij rookt. Door de sigarettenrook heen ruik ik zeep, lekkere zeep. Hij is enkele jaren jonger dan ik. Het lijkt alsof iets hem dwars zit, hij fronst.‘Niks te melden?’ vraagt de staart.
‘En gij hebt dat niet bekeken?’
‘Ik heb het vijf minuten geleden maar gezien.’
La soupe est bonne?
Ik eet tomatensoep met groenten. De tomaten komen uit de tuin. Elk jaar is het hetzelfde, als ik enkele weken tomaten uit de tuin heb gegeten wil ik geen andere meer. Supermarkttomaten zijn smakeloos. Ik eet gretig van de soep.
‘La soupe est bonne?’
Ik kijk op, papa kijkt me aan. Waarom praat hij Frans?
‘Ja, lekker,’ zeg ik. Hij maakt goede soep.
Hij krabt door zijn haar, fronst en toont dan een brede glimlach. Meestal ziet hij er nors uit, en dat is hij ook, maar in zijn geval heeft dat iets grappigs.
‘Zal ik je een verhaaltje vertellen?’ vraagt hij.
Ik knik en eet verder van de soep. Waarschijnlijk een anekdote uit die veertig jaar dat hij met de vrachtwagen doorheen Europa reed.
‘Toen ik een jaar of tien was, intussen vijfenzestig jaar geleden, speelde ik met nonkel Pol, toen negen, dikwijls in de duinen. Op een dag zagen we twee jongens, ze waren een jaar of twintig, ik weet nog dat ik ze toen oud vond. Ze kampeerden daar, zeiden ze, ze kwamen uit Brussel. Ze hadden zo’n gasbrandertje bij om vuur te maken en ze vroegen of we in de buurt woonden. Ze toonden ons een pot met oplospoeder erin, voor soep, maar ze hadden geen water.’
Zijn gezicht ziet rood, omdat hij lacht terwijl hij vertelt. Daardoor moet ik ook lachen.
‘Ze vroegen of we thuis water konden halen en ze gaven ons die pot mee.’
Hij stopt met praten en begint luid te lachen. Ik eet verder van de soep maar ik voel het al komen en dat ziet hij aan me. Zijn ogen blinken.
‘Pol en ik liepen weg, uit het zicht. We mochten niet te snel terug zijn. Toen pisten we elk in die pot. Je zag dat niet, dat poeder maakte alles troebel. Dan terug naar die Brusselaars. We hielden ons klaar om weg te lopen, mochten ze kwaad worden. Ze warmden de soep op, we hebben ze zien drinken en ze zeiden: La soupe est bonne!’
Nu lacht hij nog harder. Ik ook, ik kan niet meer van de soep drinken omdat ik zo moet lachen.
Hij kijkt me aan en grijnst. ‘Dus vraag ik jou nu: la soupe est bonne?’
We lachen om ter hardst.
Beest op batterijen
‘Zet de radio af!’
‘Nee,’ zeg ik.
‘Aaaaarrghh!’
Ik draai mijn hoofd. Daar zit ze, op de achterbank, met een boos gezicht. Triest ook. Op haar schoot zit de Furby, zijn oren flapperen, zijn poten trappelen. Sinds ze hem tien minuten geleden uit zijn doos haalde, slaakt hij rare gilletjes. Die komen boven de muziek en het geraas van de snelweg uit. Een Furby is een levende knuffel op batterijen. Zijn ogen zijn schermpjes die emotie uitdrukken.
‘Mila, zet ‘m weer in z’n doos, dan wordt hij stil.’
‘Nee!’
‘Wel, ik zet ook de radio niet af. We moeten nog een uur rijden.’
‘Je maakt mijn Furby ziek!’ Ze meent wat ze zegt, ik zie het aan haar ogen. ‘En het raam moet ook dicht!’
Het is over de dertig graden en de auto heeft geen airco.
‘Er is veel te veel lawaai voor hem,’ zegt ze, met een pruillip.
De Furby heet Polly en is volgens Mila een meisje maar ze verwijst steeds naar hem, niet naar haar. De naam Polly gebruikt ze nooit.
Kasper rolt met zijn ogen. Op het scherm van de iPad laat hij een mitrailleur zien die kogels spuwt. Hij richt hem op de Furby.
‘Aaaarrrrrgh!’ roept Mila. ‘Je doet hem pijn!’
Ik kijk naar Liefje, ze fronst. Ze zit geconcentreerd achter het stuur, we rijden op de ring rond Brussel en het is heel druk. De Furby blijft spartelen en gillen. Waarom fabriceren ze nu zo’n ding dat niet tegen lawaai kan?
Soms is het grappig. Als Mila wil dat hij slaapt, thuis, dan is ze overdreven stil, tot het beest zijn ogen sluit. Je kunt de Furby eten geven via de iPad, ook zaken die hij niet lust, zoals chilipepers, maar die wil ze hem niet geven omdat hij het er volgens de handleiding benauwd van krijgt. Dan gaan zijn ogen flikkeren. Dat wil ze niet testen. Liefje wilde eens aan zijn staart trekken om te zien welk effect dat zou geven. Mila werd zowat hysterisch, we mogen haar Furby niet plagen.
Ik zet de radio stiller en doe het raam dicht, om haar te bewijzen dat het toch niet zal helpen. De Furby blijft gillen. Mila’s lip trilt.
‘Mila,’ zeg ik, ‘kun je er niet gewoon even de batterijen uitnemen? Dat is beter voor hem, en ook voor ons.’
Ze kijkt me met een boze frons aan en begint te huilen.
‘OK, laat de batterijen maar zitten. Stop hem in zijn doos. Dan valt hij uiteindelijk in slaap. Toch?’
Ze zucht en stopt de Furby in de doos. Hij zat ook in die doos toen Liefje hem voor haar kocht. Daar slaapt hij altijd in, het is een mooie doos. Ze veegt een traan van haar wang. Het spartelen gaat nog even door, in de doos, dan stopt het. Ik zet de radio luider, doe het raam open. Mila kijkt naar buiten, ze lijkt weer rustig. Kasper richt de mitrailleur op de auto’s die we inhalen.
De jobstudent
In de supermarkt loopt iedereen me voor de voeten. Ik moet nog naar de bibliotheek en ik moet nog eten, en dat op een half uur want op het werk is het weer irritant druk. Aan de afdeling zuivel en vlees zie ik dat ze belegde broodjes verkopen. Wist ik niet. De groenten lijken vers, het stokbrood ook, en er staat niemand aan te schuiven, perfect. Enkele meters verderop snijdt en verpakt een vrouw kaas. Ik glimlach, ze ziet me maar negeert me. Ik knijp mijn handen tot vuisten en staar haar aan. Ze blijft me negeren.
‘Excuseer, ik wil een belegd broodje,’ zeg ik.
Zonder me aan te kijken wenkt de vrouw iemand die ik van hieruit niet kan zien. Even later stapt een meisje traag naar me toe. Ze is een jaar of zestien en draagt een T-shirt voor jobstudenten. Ik zucht, bijt op mijn lip. Zou ik er niet beter vandoor gaan nu? In de Panos smeren ze me op vijf seconden een broodje. Het meisje kijkt me vriendelijk maar onzeker aan. Haar handen beven. Dat raakt me, ik wil niet lomp doen, niet tegen haar.
‘Een bruin broodje met komkommersla en groenten, asjeblieft.’ Ik probeer zoveel mogelijk warmte in mijn stem te leggen en erbij te lachen, misschien stelt dat haar wat meer op haar gemak.
Ze kijkt rond, vindt plastic handschoenen en trekt die aan. Dan pikt ze er een stokbrood uit, neemt een mes en snijdt het open. Dat gaat heel moeizaam. Zou dit haar eerste dag zijn? Of haar eerste belegde broodje? Ik moet denken aan hoe ik op mijn zestiende voor het eerst aan die kassa in de Blokker stond. Het was druk en dat ding blokkeerde, net wanneer een hele rij stond aan te schuiven. Een kerel begon me uit te kafferen, in het Frans. Ik verstond niet wat hij zei, maar ik kreeg tranen in mijn ogen. Zestien jaar, dat lijkt meerdere levens geleden. Nu zou ik zo’n klootzak gewoon de winkel uit schoppen.
Het meisje smeert de komkommersla traag en zorgvuldig op het brood. Dan kijkt ze me aan.
‘Wilt u alle groentjes?’ Ze vraagt het alsof ze het meent, alsof het voor haar echt belangrijk is welke groenten ik wil.
‘Ja, graag. En wat ei ook.’
Ze neemt uit elke bak iets en stopt het in het broodje dat intussen rijkelijk gevuld is. Wanneer ze het op het inpakpapier legt, rolt het omver en vallen de groenten eruit. Ze kijkt even naar me maar ik doe alsof ik het niet heb gezien. Ze propt alles terug in het brood, wikkelt het papier dicht. Dan laat ze haar vinger over het toetsenbord van een kassa zweven, ze tikt iets in en kleeft een vignet met de prijs op de verpakking. Ze doet haar handschoenen uit en geeft me het broodje. Het papier zit los.
‘Merci,’ zeg ik. ‘Dat zal smaken.’
Het meisje lacht, haar wangen zijn rood.
Wachten op de sterren
Ik ga in het stoeltje zitten en klik de gordel dicht. Kasper doet hetzelfde. Uit de boxen klinkt dat lied van Mega Mindy, in het Frans. Alle Studio 100-rommel heeft hier een Franse versie. In de souvenirwinkel waar Liefje zonet een schildpadknuffel kocht voor Mila, hoorde ik ook al Samson en Gert in het Frans zingen.
Terwijl de vrouw die de Mega Mindy Flyer bedient checkt of iedereen zit vastgeklikt, begint het me te dagen. Enkele jaren geleden bleef deze kettingmolen steken, de mensen hingen urenlang op dertig meter hoogte. Het stond in de krant. Ik zeg het aan Kasper en zie zijn gezicht veranderen. Oeps. Misschien had ik dat niet moeten zeggen.
‘Blijven steken?’
‘Dat gebeurt bijna nooit hoor, dat zo’n attractie vast komt te zitten. En als het gebeurt, valt je er niet uit, je blijft gewoon ter plekke hangen. In dit geval op dertig meter hoogte.’
‘Dit ding gaat toch zestig meter hoog?’
‘Het kan ook zestig meter geweest zijn. Weet ik veel.’
Hij fronst. De molen begint te draaien. Onze stoeltjes zweven, voorlopig slechts een paar meter boven de grond.
‘We hangen enkel vast aan van die dunne kettingen. Dat is zot,’ zegt hij. ‘Als er een losschiet, kantelen we en we zitten niet eens stevig vastgeklikt.’
Het ding gaat plots te snel de lucht in. Het voelt alsof ik val. Halverwege de mast blijven de stoeltjes hangen, dit moet de dertig meter zijn. We zweven en zien het hele park en ook alles errond, watervallen inclusief. Het maakt me misselijk.
‘Shit, dit is echt eng,’ zegt Kasper. ‘Die kettingen hangen bovenaan maar aan twee punten vast, en we moeten nog verder omhoog.’
Ik zucht. In de verte daar beneden hoor ik nog flarden van het Franstalige Mega Mindy-lied.
Liefje en Mila zitten enkele stoelen achter ons maar ik durf mijn hoofd niet te draaien, recht voor me kijken is al erg genoeg. Ik trek aan het roze Plopsabandje om mijn pols. Eigenlijk zijn de kinderen te oud voor Plopsa Coo, vooral Kasper, maar hij en Mila amuseren zich goed vandaag, toch tot nu. Het pretpark ligt op amper een kwartier rijden van het vakantiehuisje en het leek ons voor hen een leuke afwisseling op de wandelingen in en rond de bossen van Aywaille. Voor Liefje en ik is het natuurlijk wel even op de tanden bijten.
Het gevaarte gaat richting climax. Ik kijk naar Kasper, hij naar mij. Zijn gezicht zegt genoeg. Tijdens de Gentse Feesten zaten we samen op de G-Force, dat was heftig maar leuk. Dit is akelig. Ik durf echt niet om me heen te kijken en concentreer me op een kerktoren in de verte. We dalen maar blijven halverwege hangen.
‘Zo meteen zal dat ding nog eens omhoog gaan, zeker?’ Terwijl hij het zegt schieten we weer de lucht in. De kettingen piepen. Ik voel kriebels in mijn buik maar het zijn geen leuke kriebels.
‘Doe je ogen dicht en probeer aan iets anders te denken,’ zeg ik hem.
Ik wil dat het avond is en in de tuin bij het huisje zitten, en zoals elke avond de zon achter de bossen zien verdwijnen en de kleur van de hemel donkerder en donkerder zien worden en eerst de Poolster zien en dan de andere sterren en me afvragen of rond die zonnen ook planeten zweven, en hoe oud die dan zijn, miljarden jaren en meer, en of daar ook van alles leeft, en of ze daar ook zo achterlijk zijn dat ze iets als Plopsa hebben.
Ik open mijn ogen, doe ze meteen weer dicht.
Ik wil wachten op de sterren.
Wachten op de sterren.
De sterren.
‘We zijn aan het dalen,’ zegt Kasper. ‘Ik denk dat het gedaan is nu.’
Ik open mijn ogen. We dalen, het Mega Mindy-lied komt dichterbij.
‘Stomme Gert Verhulst’, zegt hij. ‘Het is al erg genoeg dat hij die watervallen heeft verpest. Straks bouwt hij ook dààr nog een stomme attractie in.’
Dat doet me luid lachen, omdat het grappig is wat hij zegt, maar ook door de opluchting, het ergste is voorbij.
Even later staan we op de grond. Ik waggel om mijn rugzak die ik daarnet aan de kant moest leggen op bevel van de vrouw die de molen bedient, nu snap ik waarom. Kasper neemt ook zijn rugzak. Dan gaan we naar Liefje en Mila die uit hun stoeltjes klauteren. Liefje kijkt naar me en ik weet dat ze hetzelfde denkt.
Mila trekt hard aan de mouw van mijn hemd. ‘Ik wil nog eens! Ga jij mee, Cat? Mams wil niet!’
Al die grachten!
Ik tuimel, op mijn stoel. Kijk ik naar het water, enkele meters verderop, dan lijkt het alsof ik erin ga vallen. Zo gaat het ook met de lucht, ik zweef erin rond. Liefje en de anderen praten en lachen, ze doen dat met volle overgave. Ze lijken nergens last van te hebben. Ik hou me vast aan de stoel, ik wil niet vallen, maar het wordt erger en erger.
‘Voelen jullie dat ook?’ vraag ik.
Liefje wiegt heen en weer op haar stoel en lacht breeduit, Ruben zegt ‘ja’, Marie knikt en dan valt haar mond open. De uitdrukking op haar gezicht zegt genoeg. Dat is goed, ik dacht al dat het aan mij lag.
‘Wat zit erin?’
‘Shiva,’ zegt Ruben. ‘Puur, zonder tabak.’
Puur! Wow. Ik hou de poten van de stoel vast. Straks trekt het wel weer weg. Hoop ik. Misschien moet ik me wat op Liefje concentreren. Ze vertelt iets aan Marie, maar ik hoor niet wat ze zegt. Ze gebaart met haar armen en Marie luistert aandachtig, nu en dan schatert ze het uit.
Ruben prutst aan zijn fototoestel. ‘Tien jaar geleden zijn we gestopt met roken en nu kunnen we niet meer tegen tabak,’ zegt hij. ‘Vandaar puur. Maar dit komt echt hard aan…’
Hij lacht. Ik ook.
Liefje en ik zijn in Amsterdam, we liepen langs de Prinsengracht toen we iemand haar naam hoorden roepen. Twee mensen op een terrasje bij een coffeeshop zwaaiden. Vrienden van haar, van vroeger, toen ze nog studeerde, ik ken hen niet. Liefje zei dat ze hen in geen vijftien jaar heeft gezien. Ze stelden voor dat we er even bij kwamen zitten, ze hadden het over toeval en hoe je dat niet mag negeren. Nu is het tien minuten later en moet ik me vastklampen aan een stoel.
‘Amaaai,’ zegt Marie. Ze wappert met haar handen, ze doet dat op een grappige manier. ‘Wàt is dit zeg? Gaan we stappen? Dat helpt misschien!’ Ze staat op en neemt haar handtas.
Ik moet me concentreren, ik weet niet of ik in staat ben te bewegen. Na enkele tientallen meters gaat het beter, de grip op de grond keert terug. Ik loop achter hen aan, ik voel me te groot als ik dicht bij hen loop. Ik lijk wel zo’n een reus uit een carnavalstoet en zij zijn zo klein. Andere mensen trouwens ook. Ik ben groot en breed, alsof in mijn schouders een gigantische kapstok zit. Het voelt onwennig, zo overdreven groot zijn.
We blijven stappen en stappen, over brugjes, langs de grachten. Na een tijdje word ik weer kleiner, zoals anders. Dat is goed. De zon daalt en dat zorgt voor mooi, oranje licht.
Marie stopt midden op een brugje. ‘Al die grachten!’ roept ze, met haar armen wijd gestrekt, eigenlijk is het meer declameren dan roepen. Met dat Antwerpse accent klinkt het heel grappig. ‘Al die grachten in Amsterdam!’ Ze schiet in de lach. Wij ook. We blijven maar lachen en lachen, ik krijg er tranen in de ogen van, neem mijn zonnebril af en veeg ze weg. Ik zie twee vrouwen naar ons kijken, ze moeten rond de vijftig zijn. Het zijn Amsterdamse vrouwen, je merkt goed wie van hier is en wie niet. Ze lachen naar elkaar, dan lachen ze naar mij. Ik zwaai naar hen en loop verder, Liefje en de anderen zijn alweer aan het stappen.
De kaarten
Deze week geen gewoon stukje. In het nieuwe nummer van het literaire tijdschrift De Revisor staat een kortverhaal van mij. Het heet ‘De kaarten’ en je kunt het lezen via onderstaande link!
