De kerstboom

boom‘Beginnen we er dan aan?’ vraag ik.
‘Ja,’ zegt Liefje.
Morgen moet de boom er staan, dan komen de kinderen en zullen ze de boom versieren. Ik open de doos. Hij zit vol takken met dichtgevouwen zijtakken, aan elke tak is een haak bevestigd.
Liefje zucht. ‘Dat zal zo’n mismaakt ding zijn.’
Ik neem de grootste stukken uit de doos en schuif ze in elkaar.
‘Hier, de stam,’ zeg ik.
Liefje duwt de stam in de voet en kiepert dan de doos om. Alle takken vallen op de grond. Het zouden er dertig moeten zijn. Liefje vouwt de takken open en ik bevestig ze aan de stam. Een kwartier later staat de boom, hij ziet er heel erg nep uit.
Een echte boom in de living dood laten gaan is te triest. De naalden die door de warmte uitvallen, de boom die verdort met al die lichtjes en slingers en ballen eraan. Het heeft iets macabers.
Liefje opent de verpakking met de lichtjes.
‘Ga je dat nu al doen?’ vraag ik.
‘Ja, zonder trekt het op niks.’
Ze hangt de lichtjes in de boom, dat helpt inderdaad. Dan neemt ze de doos met de ballen en ze hangt er enkele in.
Die boom moet hier minstens drie weken staan. Veel te lang. Vroeger, toen ik alleen woonde, merkte je bij mij niet eens dat het kerst was.
‘Zouden Kasper en Mila de boom mooi vinden?’ vraagt ze.
‘Zij zullen hem fantastisch vinden. Zij wel, ja.’
‘Tja,’ zegt ze. ‘Ik zou er ook liever geen zetten, maar die lichtjes hebben wel iets gezelligs.’
Wacko loopt naar de boom en bijt in een tak. Dat doet de boom een beetje bewegen.
‘Wacko! Niet doen!’ zegt Liefje.
Wacko negeert haar, slaat met haar poot tegen een kerstbal. De bal valt en breekt, en Wacko spurt met een kirrend geluidje weg.
Dat vind ik heel grappig.

Het bankje

sinterklaasHet is koud en het regent, ik loop snel het winkelcentrum binnen. Veel mensen hier. Ik koop een belegd broodje bij de Panos en neem dan de roltrap naar de onderste verdieping. Daar staan zes bankjes, een ervan is vrij. Ik ga zitten en begin te eten.
Midden in het winkelcentrum staat de troon van Sinterklaas. Als kind vond ik het vervelend langs zo’n troon te moeten gaan. Iedereen zat te kijken, ouders, andere kinderen, leraars, en dan vroeg die Sint met zijn stinkende adem of je braaf was geweest en lag die hand met de witte handschoen op je schouder.
Een vrouw stapt op mijn bankje af, ze heeft een brooddoos mee. Tegelijkertijd komt een kale man naar het bankje. Hij heeft een broodje bij van de Panos. De vrouw bereikt het bankje eerst en gaat zitten. De man zucht luid, hij doet teken naar een andere man, dan wijst hij naar de plek tussen de vrouw en ik.
‘We kunnen daar nog tussen,’ zegt hij tegen zijn vriend.
Dat kan hij niet menen, toch? De vrouw en ik zitten elk aan een kant van de bank, de plek tussen ons is minder dan een meter breed. Die twee kerels kunnen hier niet zitten zonder tegen ons aan te plakken.
De kale gaat zitten, naast de vrouw, en hij wenkt de andere man. Die kijkt naar mij. ‘Heb je er iets tegen dat ik naast je kom zitten?’ vraagt hij.
‘Eigenlijk wel,’ zeg ik. ‘Ik kan zo niet eten.’
De man knikt. ‘Tuurlijk, sorry,’ zegt hij.
De kale kijkt nijdig naar me en bijt in zijn broodje, hij blijft zitten. De andere man blijft voor het bankje staan en scheurt de verpakking van zijn broodje open.
Gezellig. Ik zucht en sta op.
‘Ga jij maar zitten,’ zeg ik tegen de man die staat. ‘Ik ben hier weg.’
‘Asjeblieft, blijf zitten, ik sta hier goed,’ zegt hij.
‘Het is oké, voor mij is het hier toch te druk,’ zeg ik.
Ik neem een hap van mijn broodje en loop langs de troon van Sinterklaas naar de Match. De winkel heeft grote, glazen ramen. Ik ga tegen een pilaar leunen, van hieruit zie ik de kaasafdeling.
Achter het glas rolt een oude man zijn winkelkar tot bij de voorverpakte, vers gesneden kazen en neemt hij een pakje op. Hij drukt erin met zijn wijsvinger, dan legt hij het terug, neemt een ander pak op, drukt er weer in, zo doet hij dat met een tiental pakken. Dan merkt hij me op en fronst hij. Het pak kaas dat hij vast heeft gooit hij in zijn kar en hij schuifelt verder. Ik bijt in het broodje. Op het glazen dak van het winkelcentrum tikken nog steeds de regendruppels.

Bakske vol met stro

hoedjeDoor het raam van de bus zie ik het groene landschap voorbijglijden. Ik zou graag uitstappen, diep inademen, door het gras lopen, langs de bomen. Het is zondagochtend. Uit de boxen klinkt ‘Jezeke is geboren, aleluja halloo, Jezeke is geboren in een bakske vol met stro,’ en dat al voor de tiende keer dit weekend.
De muziek gaat van Last Christmas van Wham! tot Formidabele Kerstmis van Xavier De Baere. Dezelfde cd speelt telkens opnieuw en we hebben dit weekend al vaak op de bus gezeten. Een uur rijden naar een restaurant, een uur naar Canterbury, een uur naar hier, een uur naar daar, en altijd dat Bakske vol met stro. Meer nog dan de andere nummers blijft het hangen, vooral het geluid van de belletjes, ik beweeg er intussen mijn hoofd op mee, ook al wil ik dat niet.
Ik ben mijn iPod thuis vergeten. Liefje ook.
We zijn op weekend in Kent, op kosten van een of andere verzekeringsmaatschappij. Wie meest verzekeringen verkoopt heeft recht op een snoepreisje. Liefje verkoopt geen verzekeringen maar haar baas wel en die gemenerik gaf haar deze reis cadeau. Ze durfde niet te weigeren, ze dacht trouwens dat het kon meevallen, de mooie natuur in Kent, een chic hotel, eten in een sterrenrestaurant, alles gratis. Ik had er sowieso geen vertrouwen in.
Achter in de bus begint de kerel met de baard weer heel luid te praten. Dan volgt het schaterlachen van de verzekeringsmensen rondom hem. Om de twee minuten hoor je die luide stem en dat gelach. Ik luister niet naar wat ze zeggen, ik heb er mijn oren voor afgesloten. Kon dat ook maar werken voor Bakske vol met stro.
We rijden naar Leeds Castle. Ik hoop dat we een Britse gids krijgen want we zijn al twee dagen in Kent en ik heb nog geen Engels gehoord, behalve dat van obers en hotelpersoneel. We schuiven tweemaal per dag aan voor een driegangenmenu, aan grote, ronde tafels met kerstversieringen en feesthoedjes. Bij de receptie vrijdagavond waren de gastvrouwen verkleed als kerstvrouwen. Het is vandaag zondag 24 november. November.
De boxen kraken. It’s gonna be a cold cold Christmas verdwijnt, de hijgerige stem van de gids neemt het over. ‘Beste mensen, ik heb goed nieuws. We mogen de bus parkeren vlàkbij de ingang van het kasteel. En nog béter: de bus mag er blijven stààn, dus als u straks na de rondleiding weer buiten komt, kunt u metéén weer op de bus! U hoeft niét ver te stappen. Het is heel uitzonderlijk dat men ons deze gunst verleent.’
Gejuich weerklinkt door de bus. Buiten schijnt de zon maar blijkbaar houden verzekeraars en hun vrouwen niet van wandelen, ook niet in een natuurpark rond een kasteel.
De baard scoort weer met een opmerking en lacht zelf luid mee. Ik heb zin om een staak door zijn strot te rammen.
Ik kijk naar Liefje. Ze haalt de schouders op. ‘Vanavond zijn we thuis,’ zegt ze.
Nog twaalf uur. Het lijkt ongelooflijk ver weg.
‘Moeten we deze middag echt weer urenlang aan zo’n ronde tafel zitten met twaalf man?’
‘Ik vrees het,’ zegt ze.
We kunnen niet ontsnappen. Al het hele weekend kunnen we dat niet. Een afgelegen hotel, een strak programma, pas om twaalf uur ’s nachts op de hotelkamer en om zeven uur weer uit bed voor het ontbijt. Obers lopen me altijd te zoeken met een speciaal voor mij gemaakte vegetarische maaltijd, gisteren was ik de enige in het sterrenrestaurant die een jeans droeg. Ik haat opvallen maar hier doe ik het wel. Liefje ook, het lijkt alsof iedereen met haar wil praten. Dan speelt ze haar rol en zie ik de vermoeidheid op haar gezicht.
Ik geeuw, kijk door het raam. Het is hier echt mooi, alles groen en uitgestrekt, weinig beton, ik wil hier nog eens naartoe komen zonder verzekeringsmannetjes.
De stem hijgt weer in de micro. ‘Beste mensen, zo metéén bereiken we het kasteel. U hoeft zich niet dik te kleden, we hoeven toch niet te wandelen. Hahahààà, wat hebben we dat weer goed gedaan!’

Obstakel

baannIk stap uit de tram en steek de baan over. Het is zeven uur ’s avonds, donker, koud ook. Er is meer lawaai dan anders, van auto’s die over de natte weg razen. Ik wil in de zetel zitten met een dekentje en televisie kijken. Lekker warm. Zonder gedoe.
De regen van daarnet is motregen geworden. Enkele meters voor me, aan de overkant van mijn straat, zie ik een kat. Ze staat bij een geparkeerde auto en maakt aanstalten om over te steken. Er komt een auto aan, hij rijdt te snel. Ik ga wat op straat lopen om hem te doen vertragen. Als de auto voorbij is steekt de kat over.
‘Oppassen voor auto’s,’ zeg ik tegen de kat.
Ik loop verder, even later hoor ik een miauw. Het klinkt schril. De kat loopt achter me aan.
‘Ga naar huis. Het regent.’
Ik versnel mijn pas maar de kat blijft achter me aan lopen. Misschien is het een zwerfpoes. In de regen. Zonder eten. Ze kijkt me recht in de ogen en miauwt weer. Ik wil in de zetel zitten met een dekentje, ik wil me niet ontfermen over een zwerfkat. Of ik wil dat misschien wel maar het gaat het niet want Wacko haat andere katten.
De kat miauwt weer. Ik aai haar. Ze heeft iets ondeugends, haar vacht is wit met grijze vlekken. Een jong dier nog. Ik kan dat beestje toch niet aan haar lot overlaten? Misschien moet ik bellen naar zo’n vzw die katten opvangt.
Of misschien is het geen zwerver, ze is niet mager. Aan het begin van de straat, niet ver van de steenweg, heb ik eens een grijswitte poes als deze gezien. Denk ik. Ik loop een eind terug, het begint weer feller te regenen, de kat loopt achter me aan tot bij het begin van de straat.
Langs een voortuintje ga ik naar een deur, de kat blijft op straat staan. Hier is het dus niet. Ik probeer het huis ernaast. De poes komt dicht bij de deur zitten en houdt de klink in de gaten. Bingo. Ik duw op de bel.
Als de deur opengaat loopt de kat meteen naar binnen. De man in de deuropening heeft haar niet gezien, hij kijkt me nieuwsgierig aan. Ik wijs naar de kat in de gang.
‘Is dat jouw kat?’ vraag ik.
Hij kijkt naar de kat en lacht. ‘Ja,’ zegt hij.
‘Super,’ zeg ik en ik draai me om.
‘Ze loopt met iedereen mee,’ zegt hij, ‘ze is nogal sociaal.’
‘Ja, blijkbaar.’
Ik steek mijn hand op, hij ook. Het regent hard nu, ik loop snel naar huis. Ambetante kat.

Tieners

nirvanaTegen de stroom in stap ik door de schoolpoort. Die tieners willen zo snel mogelijk buiten raken, ik loop hen in de weg. Het is de eerste keer dat ik Kasper en Mila van hun nieuwe school afhaal. Ik snap het niet goed. Waar blijven al die tieners vandaan komen? De straat bezetten ze ook al, ze bewegen zich voort in groepjes of ze staan stil op het voetpad, chips te eten of te roken.
Ik loop dicht tegen de muur van het gebouw om de stroom te ontwijken. In de lucht hangen allerlei geuren, van aftershaves en parfums, geuren van op school vroeger, toen ik zelf een tiener was. Dat geeft me een onwennig gevoel, net zoals toen.
Eenmaal op de speelplaats van de basisschool is het anders. Minder haast, meer lucht, spelende kinderen die niet meteen hoeven te roken, te bellen of te sms’en. Mila rent op me af en geeft me een knuffel, vanop een tiental meter afstand toont Kasper met een knik dat hij me heeft gezien, dan stapt hij samen met zijn vriend naar de uitgang waar ook de tieners van het atheneum lopen. Mila en ik volgen hem.
Even later belanden we in de stroom. Het begint weer te regenen. Mila neemt mijn hand vast, wat lijkt ze klein ineens, Kasper ook trouwens. We lopen mee in een lange rij richting station. Wanneer de bus arriveert gaan we bij de deur staan zodat we er eerst op kunnen. We gaan zitten op zo’n plek waar de zitjes tegenover elkaar staan. De tieners nemen snel de rest van de bus in. Een jongen van een jaar of zestien komt naast me zitten, ik ruik zijn aftershave, weer zo’n geur die ik vaag herken. De jongen heeft groene ogen en lange, donkere wimpers. Op zijn kin en wangen staan puistjes, hij scrollt door de liedjes op zijn iPhone, stopt de oortjes in zijn oren.
Er is veel rumoer, de ramen van de bus zijn beslagen. Mila lijkt nog kleiner nu, zittend op haar stoel, met naast haar die lange slungels. Ofwel praten ze luid met elkaar, ofwel zijn ze met hun telefoon bezig. Kasper en Mila zeggen niks, ze observeren. Bij elke halte wringen meer tieners zich de bus op. Ik ben blij dat we zitten. De jongen naast me staat op en duwt zich door de massa naar de deur, zo zie ik de andere kant van zijn rugzak, daarop kleeft een sticker van Nirvana.
Hmm. Misschien ben ik dan toch nog niet zó oud.

De kater en de storm

wacko

De wind beukt tegen het raam. Met het raam dicht zou het stiller zijn maar ik heb de frisse lucht nodig. Liefje ook, veronderstel ik. Ze slaapt. Het voelt alsof het bed door de kamer zwalpt, in de verte piept een autoalarm, dan stopt het en begint het weer. Al een hele tijd nu. Kiekens. Het is bijna vijf uur. Ik lig al een uur wakker, mijn hoofd bonkt van de pijn, en ik moet om zeven uur op. Ik heb nog maar drie uur geslapen.
Een feestje op zondag is gevaarlijk als je moet werken de volgende dag.
Ik drink nooit meer.
Een minuut voor de wekker zou gaan sta ik op. Ik moet me vasthouden aan de leuning van de trap, door het raam zie ik bomen heen en weer zwiepen, de tuinstoelen van de buurvrouw liggen verspreid over haar tuin.
In de keuken krult Wacko zich om mijn benen, ik ga zitten omdat ik niet goed kan staan en neem haar op mijn schoot. Ik aai en knuffel haar, ze spint zo luid en snel dat ze erbij piept.
Even later trek ik de achterdeur open en voel ik de wind. ‘Wil je wandelen, Wacko?’
Ze komt naar de deur, kijkt naar de bladeren die in een kring op de koer dansen. Dan draait ze zich om en gaat ze naar haar etensbak. Ik hoor de brokken kraken.
‘Ook goed. Zeg maar als je zover bent.’
Ondanks het warme water voelt de douche niet goed, het duizelt in mijn hoofd, ik moet me te veel concentreren.
Aan tafel smeer ik een boterham met enkel boter, meer krijg ik niet binnen. Het brood blijft in mijn mond plakken maar ik moet het doorslikken, anders loopt dit slecht af. Wacko zit op een stoel aan de tafel, ze kijkt naar me.
Ik hoor gestommel in de gang. Liefje sloft de keuken binnen, haar gezicht heeft iets van een donderwolkje. Ze kan een half uur langer blijven liggen, ze vertrekt later ’s morgens.
‘Gaat het?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt ze.
‘Met mij ook niet,’ zeg ik.
Ze neemt een tas en zet koffie. Ik wil ook koffie, om wakker te worden, maar dat kan nu niet. Ik voel me misselijk en koffie zou dat enkel erger maken. Vandaag zal het zonder moeten, ook op het werk. Mijn spieren voelen stram, alsof ik hard heb gesport.
Wacko springt bij Liefje op schoot.
‘Ze wil niet buiten,’ zeg ik.
‘Ze heeft gelijk,’ zegt Liefje terwijl ze Wacko aait.
Ik geef hen een zoen, trek mijn jas aan en ga naar buiten. Het waait harder dan ik dacht. Er liggen takken op straat. Het lijkt alsof mijn hoofd twee meter achter mijn lijf aan zweeft. Het is koud, mijn jas is te dun, straks krijg ik zo’n tak op mijn kop, nog meer pijn.
Op de tram is het warm en muf, dat is niet bevorderlijk. Ik focus op wat ik buiten zie. Gevallen fietsen, een reclamebord dat is neergekomen, nog takken op de weg, hier en daar een fietser die amper vooruit raakt.
Ik kom aan op het werk, niemand lijkt iets te merken. Misschien zie ik er ’s morgens altijd zo uit, geen idee. Ik staar naar mijn scherm, weet niet goed wat te doen, en de dag duurt nog tot zes uur. Zonder koffie.
Maar het was wel een leuk feestje.

Teleurstelling

propjesMila zit op mijn schoot, haar ogen zijn vochtig. Door de zaal klinkt de stem. De eigenaar van de stem draagt een keurig gestreken hemd, zijn haar lijkt op dat van Kuifje maar dan in het bruin, zijn stem is nasaal. Aan het einde van elke zin plakt hij het woordje ‘ja’, met vragende intonatie, en dan praat hij meteen verder.
‘Kiezen is verliezen. We zouden iedereen willen laten meedoen aan deze musical, maar dat gaat uiteraard niet. Ja?’
‘Het repetitieschema volgt zo snel mogelijk. Voor de kids die figureren volgt de planning later. Ja?’
Ik kijk naar Liefje en zij naar mij. Kids. Dat zegt genoeg.
‘Iedereen boven de veertien wordt verwacht mee te helpen op een of andere manier. Ja?’
Ik vraag me af waarom we hier zitten. De organisatoren konden evengoed via mail laten weten wie mag meedoen en wie niet. De kans dat ze Mila zouden selecteren voor een figurantenrolletje was miniem, ze hoort pas een maand bij deze groep. Maar ze wou per se komen, ze dacht echt dat ze een kans maakte. En dan hoort ze die nasale stem haar naam niet noemen.
Mila zucht. ‘Kan hij nu niet gewoon zwijgen?’
‘Ja, dat zou leuk zijn,’ zeg ik.
De randen om haar ogen zijn rood. In haar ogen blinken tranen. Ze doet geen moeite ze te verbergen, dat vind ik moedig.
‘Ik wil geen musical meer doen,’ zegt ze. De frons op haar voorhoofd is zo diep dat ik me niet kan voorstellen dat hij ooit nog verdwijnt.
Ik wrijf over haar rug, knijp in haar schouder.
‘Mila, er mochten maar drie van de vijftig kleintjes uit jouw groep meedoen, en ze moeten enkel even over het podium lopen,’ zegt Liefje. ‘Ze mogen niet eens zingen. Feit dat jij er niet bij bent zegt niks over jouw kwaliteiten.’
‘Jawel!’ Ze begint weer te huilen.
‘Echt niet,’ zeg ik.
‘Het zou wel een eer zijn hé,’ zegt Mila ferm.
Zou het een eer zijn? Geen idee, ik vind het hier een afgelikte boel eigenlijk. Maar het is de enige musicalopleiding die qua uren in onze agenda past.
‘Jouw kans komt wel. Je bent pas acht, je bent pas begonnen,’ zegt Liefje.
‘Ik stop ermee.’
‘Maar nee,’ zeg ik. ‘Als dat in je zit kun je het niet laten. En het zìt in je.’
‘Ik wil hem opsluiten in een kamer en vastbinden op een stoel,’ zegt Mila. ‘Zonder eten of drinken. En dan vul ik die kamer volledig met die domme posters van die musical, tot hij erin verdrinkt.’
Ik zie Kuifje daar al zitten en moet lachen. Mila en Liefje ook.
Zijn stem snijdt nog steeds door de zaal, maar we luisteren niet meer. Enkel die geknepen ‘ja’ hoor ik nog. Kan iemand die kerel dat eens zeggen?
‘Of ik wil dat iedereen ziek is op de première,’ zegt Mila. ‘Dan gaat die domme musical niet door.’
‘En dan neem jij àlle rollen over, ook die van de volwassenen en de oudere kinderen?’ vraagt Liefje.
Mila lacht, veegt de tranen uit haar ogen.
‘Ik snap je,’ zeg ik. ‘Als ik in een boekenwinkel ben en ik zie al die boeken dan heb ik wel eens goesting om ze allemaal op de grond te smijten. Gewoon omdat er nog geen boek van mij tussen staat.’
‘Echt?’
‘Ja, dat gebeurt wel eens.’
‘En wat doe je dan?’
‘Gewoon verder doen. Maar bij jou zal het alllemaal véél vlotter lopen dan bij mij, daar ben ik zeker van.’
‘Echt?’
‘Echt.’
Ze knikt, wrijft weer in haar ogen. De stem van Kuifje is weggevallen, de zaal komt in beweging.
Liefje knijpt in Mila’s been. ‘Kom,’ zegt ze, ‘we gaan ervandoor. We gaan iets leuks doen nu.’

Courgettesoep, poging vijf

soepIn de Delhaize sta ik voor het rek met de bouillon. Tussen alle vlees- en visfonds staat nog één potje groentefond. Ik zet het in mijn kar, en zie de bouillonketeltjes van Knorr. Een vorige keer had ik te veel van die keteltjes in de soep gegooid, alles smaakte naar Knorr. Als ik het nu bij eentje hou kan het geen kwaad. Veronderstel ik.
Sinds enkele maanden worden we overladen met courgettes uit de tuin van mijn pa, dus probeer ik er soep van te maken. Volgens een recept dat ik net op internet heb gezien kan er ook Boursin Quisine bij courgettesoep. Elders las ik dat je een soep best zo puur mogelijk houdt, dat extra smaken de boel kunnen verbrodden. De laatste keer had ik er mosterd in gedaan en pesto en kruidenkaas en bouillonblokjes en die keteltjes, dat was een beetje van het goeie te veel. Maar er moet toch iets speciaals in? Op de zuivelafdeling vind ik verschillende soorten Boursin Quisine. Dat verwart me, ik kijk er een tijd naar en kies dan voor ‘knoflook met fijne kruiden’.
Ik moet nog uien hebben. Geen aardappelen. Nog een vorige keer had ik zoveel aardappelen gebruikt dat de soep een soort slappe puree was geworden. Toen ik voor het eerst courgettesoep maakte voor Liefje dacht ik dat ik haar omver zou knallen. Ze zei dat het lekker was en ze at alles op maar ze nam geen tweede portie. Ik ook niet trouwens. Als zij soep maakt heb ik zin om in de pot te kruipen en alles uit te likken. De overschot van mijn soep blijft meestal enkele dagen in de koelkast staan en wordt dan door het toilet getrokken.
Bij de melk verspert een kar me de weg. In die kar liggen pompoenen, prei, een hoop andere groenten, kruiden, van alles. Liefje kan moeiteloos ingrediënten tot een lekker gerecht omtoveren. Dan staat ze met een frons bij de kookpotten, voegt ze allerlei kruiden toe waarvan ik de namen zelfs niet ken. Alles wat ze maakt smaakt lekker. Ik deug enkel als haar persoonlijke groentesnijder en afwasser. Voor ik haar kende kookte ik weinig, alleen groenten in de wok, nooit soep. Die kocht ik in de winkel om de hoek.
Maar goed, wie weet zorgt de Boursin voor een doorbraak. Ik loop langs het kattenvoer en neem enkele potjes Sheba voor Wacko, dan ga ik naar de kassa. Het enthousiasme plakt aan mijn schoenzolen.

Ecocheques = klotecheques

ecochequesHet is middagpauze, ik loop naar de Lijnwinkel. Morgen vervalt mijn abonnement. Ik heb een envelop vol ecocheques, ze zijn 250 euro waard. Een jaarabonnement kost 237 euro. Ik trek de deur open en stap het hok binnen, een winkel kun je het niet noemen. Het ruikt er muf, naar uitgeademde lucht. Een vrouw staat voor. Ze praat plat Gents en ze kauwt op haar woorden, ik begrijp niet wat ze zegt. Ik duw tegen de deur, hou mijn voet ertussen zodat hij niet dichtvalt en adem door de kier.
Zoveel geld voor een abonnement, om misselijk van te worden.
‘Pardon!’ Het is de stem van de vrouw die net nog zo onduidelijk sprak, heel helder nu.
Ik stap opzij en ga naar het loket. De man van de Lijn kijkt me aan, zijn armen liggen gekruist op de balie.
‘Ik moet mijn abonnement verlengen. Kan dat intussen al met ecocheques? Vorig jaar zeiden jullie dat het enkel een kwestie van tijd was.’
‘Nee, nog steeds geen ecocheques.’
‘Wanneer dan wel?’
‘Nooit waarschijnlijk. Ze komen niet tot een overeenkomst met de overheid. In de wet staat dat er geen abonnementen mogen worden gekocht met ecocheques. En daarbij, de Lijn zou er toch te veel op verliezen.’ Hij haalt zijn schouders op.
Ik zucht. ‘En dan zeggen ze dat ze met die ecocheques duurzame mobiliteit willen bevorderen. Wat voor zever is dat?’
‘Sorry,’ zegt hij. ‘Ik kan er ook niks aan doen.’
‘Nee. Jij kunt er niks aan doen, da’s waar.’
‘Maar er is een andere mogelijkheid.’ Er verschijnt een lachje op zijn gezicht. ‘Je kunt met je ecocheques wél Lijnkaarten kopen. Dan koop je er gewoon een heleboel en daar kun je ook een heel eind mee weg.’
‘Lijnkaarten? Die zijn drie of zelfs vier keer zo duur, als je vaak de tram neemt.’
‘Het is een mogelijkheid, mevrouw.’ Hij legt de klemtoon op de ‘een’.
‘Dus voor die dure kaarten mag het wel en voor een abonnement niet?’
‘Inderdaad,’ zegt hij.
‘Onnozelaars.’
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Zal ik dan nu uw abonnement vernieuwen?’
Ik geef hem mijn identiteitskaart en mijn oude abonnement. Even later duw ik mijn bankkaart in het betaalapparaat. Ik tik mijn code in en voel hoe mijn maag samentrekt. In mijn bankrekening een gat van 237 euro en in mijn zak een envelop vol ecocheques. Klojo’s.

Parkeerticket

parkingVoorbij het kruispunt sla ik links af, ik wil een plek op de parking bij de zee.
‘Het valt precies mee van volk,’ zegt mama. Ze zit naast me, met op haar schoot Bo, de chihuahua. ‘Ik ben blij dat die toeristen weer weg zijn.’
Ik zie een vrije plek en rij de auto erin. Zodra ik de motor afzet spartelt Bo naar achteren en verbergt hij zich onder de passagiersstoel. Volgens mama doet hij dat enkel als ik erbij ben. Het is een vorm van aandacht zoeken. Ik trek hem onder de stoel vandaan, ze klikt hem vast aan de leiband en we stappen uit. In de zeelucht hangt iets fris, het doet wat aan de lente denken. We zijn bijna bij de dijk als ik een parkeerwachter over de parking zie lopen, hij stapt recht op de Clio af.
Verdomme.
‘Ik ga snel een parkeerticket kopen,’ zeg ik.
Ik loop terug. De kerel staat al bij de auto, hij is jong, een jaar of twintig. Onder de ruitenwissers zit nog geen boete maar in zijn hand houdt hij een apparaatje.
‘Hey,’ zeg ik. ‘Ik was even op zoek naar de automaat.’
Zonder me aan te kijken wijst hij met zijn duim naar achteren. ‘Daar,’ zegt hij.
‘Ik parkeer hier voor het eerst, ik had het niet meteen gezien. Ben ik al te laat?’
‘Nee, net op tijd.’ Hij lacht, hij ziet er best sympathiek uit.
Ik loop naar de automaat en stop er een stuk van twee euro in. Er gebeurt niks. Ik moet nog een euro, zegt het scherm. Een ticket kost drie euro? Goed dat ik hier vroeger nooit heb betaald.
De jongen staat intussen bij de Audi naast de Clio en tikt van alles in op zijn apparaat. Mama en Bo zijn ook teruggekeerd, Bo’s tong hangt uit zijn bekje.
‘Wat is er nu?’ vraagt mama luid, met een frons.
‘Ik moest nog een ticket kopen.’
‘Maar wij betalen hier toch nooit? En we hebben hier al zo dikwijls gestaan!’
‘Er is een automaat,’ zeg ik, ‘dus we moeten betalen.’ Door mijn gezicht in allerlei plooien te trekken probeer ik haar duidelijk te maken dat een parkeerwachter naast ons staat. Maar dat lukt niet zo goed.
‘Die automaat is toch niet nieuw?’
Ik zucht. ‘Mama, kijk, dat is een parkeerwachter.’ Ik wijs naar de jongen. Hij knikt haar toe.
‘Aaaah,’ zegt ze. Ze moet lachen, houdt haar hand voor haar mond. Dan tilt ze Bo op en stapt ze met hem weg, haar schouders schokken van het lachen. Ik open de deur van de auto en leg het ticket onder de voorruit.
‘Tot ziens,’ zeg ik tegen de jongen, dan loop ik achter hen aan.