De kater en de storm

wacko

De wind beukt tegen het raam. Met het raam dicht zou het stiller zijn maar ik heb de frisse lucht nodig. Liefje ook, veronderstel ik. Ze slaapt. Het voelt alsof het bed door de kamer zwalpt, in de verte piept een autoalarm, dan stopt het en begint het weer. Al een hele tijd nu. Kiekens. Het is bijna vijf uur. Ik lig al een uur wakker, mijn hoofd bonkt van de pijn, en ik moet om zeven uur op. Ik heb nog maar drie uur geslapen.
Een feestje op zondag is gevaarlijk als je moet werken de volgende dag.
Ik drink nooit meer.
Een minuut voor de wekker zou gaan sta ik op. Ik moet me vasthouden aan de leuning van de trap, door het raam zie ik bomen heen en weer zwiepen, de tuinstoelen van de buurvrouw liggen verspreid over haar tuin.
In de keuken krult Wacko zich om mijn benen, ik ga zitten omdat ik niet goed kan staan en neem haar op mijn schoot. Ik aai en knuffel haar, ze spint zo luid en snel dat ze erbij piept.
Even later trek ik de achterdeur open en voel ik de wind. ‘Wil je wandelen, Wacko?’
Ze komt naar de deur, kijkt naar de bladeren die in een kring op de koer dansen. Dan draait ze zich om en gaat ze naar haar etensbak. Ik hoor de brokken kraken.
‘Ook goed. Zeg maar als je zover bent.’
Ondanks het warme water voelt de douche niet goed, het duizelt in mijn hoofd, ik moet me te veel concentreren.
Aan tafel smeer ik een boterham met enkel boter, meer krijg ik niet binnen. Het brood blijft in mijn mond plakken maar ik moet het doorslikken, anders loopt dit slecht af. Wacko zit op een stoel aan de tafel, ze kijkt naar me.
Ik hoor gestommel in de gang. Liefje sloft de keuken binnen, haar gezicht heeft iets van een donderwolkje. Ze kan een half uur langer blijven liggen, ze vertrekt later ’s morgens.
‘Gaat het?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt ze.
‘Met mij ook niet,’ zeg ik.
Ze neemt een tas en zet koffie. Ik wil ook koffie, om wakker te worden, maar dat kan nu niet. Ik voel me misselijk en koffie zou dat enkel erger maken. Vandaag zal het zonder moeten, ook op het werk. Mijn spieren voelen stram, alsof ik hard heb gesport.
Wacko springt bij Liefje op schoot.
‘Ze wil niet buiten,’ zeg ik.
‘Ze heeft gelijk,’ zegt Liefje terwijl ze Wacko aait.
Ik geef hen een zoen, trek mijn jas aan en ga naar buiten. Het waait harder dan ik dacht. Er liggen takken op straat. Het lijkt alsof mijn hoofd twee meter achter mijn lijf aan zweeft. Het is koud, mijn jas is te dun, straks krijg ik zo’n tak op mijn kop, nog meer pijn.
Op de tram is het warm en muf, dat is niet bevorderlijk. Ik focus op wat ik buiten zie. Gevallen fietsen, een reclamebord dat is neergekomen, nog takken op de weg, hier en daar een fietser die amper vooruit raakt.
Ik kom aan op het werk, niemand lijkt iets te merken. Misschien zie ik er ’s morgens altijd zo uit, geen idee. Ik staar naar mijn scherm, weet niet goed wat te doen, en de dag duurt nog tot zes uur. Zonder koffie.
Maar het was wel een leuk feestje.

Buurvrouw in bikini

zonIk loop de trap op. Op de tussenverdieping naar de slaapkamer trek ik het raam open. De zon schijnt. Ik zoek Wacko maar dan zie ik de buurvrouw, ze ligt te zonnen in haar tuin, in bikini. Zodra er een straaltje zon is zit ze erin. Ik ken niet eens haar naam en we wonen hier twee jaar. We zeggen enkel ‘hallo’ als we elkaar zien, dat vind ik prima. Ik wil Wacko roepen maar als zij daar in bikini ligt te lezen is dat raar.
De fiets staat bij het raam. Ik ga erop zitten en begin te trappen. Eigenlijk is het onnozel om binnen te fietsen op zo’n zonnige dag maar de hometrainer is pas hersteld. Hij produceerde een luide, vervelende tik. De reparateur zei dat ik hem grondig moest testen en best zo snel mogelijk. Ik trap, geen getik, ik trap harder, zet de weerstand hoger, nog steeds geen getik. Ik drink van de fles water die ik op de vensterbank heb gezet. Wanneer ik me naar het raam buig merk ik dat de buurvrouw naar me kijkt. Waarschijnlijk ziet ze mijn haar bewegen voor het venster, ik heb het samengebonden, het staat als een palmboom op mijn kop, dat is handig bij het sporten. Ik zou me ook ergeren mocht ik daar zo liggen en iets achter een raam zien bewegen, maar ik heb evenveel recht om te fietsen als zij om te zonnen.
Na een intervalsessie rij ik de laatste twintig minuten op stand zes, dat is zwaar, ik zweet en hijg voor dood. Nog enkele minuten, dan heb ik drie kwartier gefietst, dan ben ik klaar. Wat is het warm. Wacko zit bij me. Ze zal me vanuit de tuin hebben opgemerkt, om de een of andere reden houdt ze me graag gezelschap als ik fiets. Haar brede lijfje op de vensterbank houdt de frisse lucht tegen en zorgt voor extra warmte. Maar dat geeft niet.
Als ik klaar ben stap ik van de hometrainer. Ik hijg en wankel en zoek steun bij de trapleuning. Dan drink ik van het water en ga ik bij Wacko staan, met mijn armen leun ik op de vensterbank, ik ben helemaal high. Pas nu zie ik hoe de buurvrouw naar me kijkt, met een diepe frons op haar gezicht. Ik was haar al vergeten. Ik lach, neem Wacko in mijn armen en sluit het venster.

Een deuk in haar imago

wackoZe ligt op de tafel in de tuin, ik kam haar met de Furminator. Toen ik dat ding in de winkel zag liggen deed de naam me lachen. Wacko beweegt met de kam mee en biedt tegelijk de nodige weerstand. Na enkele halen trek ik de haren uit de Furminator en gooi ik ze in een plastic tas, dan kam ik verder.
Kastaar, de ruige kater van de buren, springt in een van de bomen achterin hun tuin. Hij kijkt naar ons maar Wacko ziet hem niet, haar ogen zijn gesloten. Ze gaat op haar zij liggen en rekt zich uit, ze lijkt echt van die kam te genieten. Tot ik haar voel verstijven. Ze krabbelt recht en krabt in mijn hand, een streepje bloed verschijnt.
‘Zeg!’
Ze springt van de tafel en loopt verder de tuin in. Via de boom klimt ze op het hok, ze nadert tot op een paar meter van Kastaar. Al haar haren staan recht, ook die van haar staart, ze ziet er heel groot en dik uit. Ze blaast, laat haar tanden zien, braakt een diepe miauw die je tot tien huizen verder kunt horen.
Ik leg de Furminator op tafel en zucht. Zij en Kastaar haten elkaar, zij hem nog meer dan hij haar, ze daagt hem graag uit in zijn eigen tuin. Dan krijgt ze wel eens klop en moeten wij naar de dierenarts om stukken pels en vlees te laten hechten. Enkele weken geleden nog stond de koer vol bloederige afdrukken van kattenpootjes.
‘Wacko! Stop ermee!’
Ze loeit nog luider nu, een heel rauwe miauw, een oerkreet der katten. De hond van enkele huizen verderop begint te blaffen. Kastaar kijkt Wacko in de ogen, zijn haren staan niet recht. Hij stapt achteruit, zijn lijf wat ineengedoken, zijn oren plat. Dan springt hij naar beneden, ik kan hem niet langer zien. Wacko duikt over de afsluiting, op de boom van Kastaar, kijkt met superieure blik en laat weer zo’n schreeuw horen. Haar haren staan nog steeds recht. Dan springt ze terug op het dak van ons kot.
‘Kunnen we nu verder doen?’ Ik zwaai met de Furminator.
Ze negeert me, snuift iets op in de lucht, likt aan haar poot, snuift weer. Ik neem de plastic tas met de haren en loop naar binnen.

Woest

Ik zit in de zetel. Mijn benen liggen op de salontafel en op mijn benen ligt Wacko, op haar rug, uitgestrekt, haar voorpootjes om haar snoet gekruld. Ze snurkt. Vijf kilo kat, dat weegt. Ik manoeuvreer mijn benen de zetel in. Een deel van Wacko’s lijfje komt naast me terecht. Op haar voorhoofd groeien rimpels, ze knijpt met de ogen en duwt zich terug mijn benen op. Ik zit nog altijd niet goed. Ik schuif verder. Opnieuw rolt Wacko bijna van me af. Ze plant haar nagels in mijn jeans, in mijn knie. Ik leg mijn hand in haar nek en schuif nog een beetje op. Ze klauwt dieper nu.
‘Ai!’
Ze spert haar ogen open, haar pupillen zijn groot en zwart. Het groen is weg. Een satanische kat met diepe groeven in haar voorhoofd. Haar staart zwiept heen en weer. Ik aai haar in de nek om haar te sussen. Ze bijt in mijn vingers. Ik trek mijn hand weg, ze duikt ernaar. Ik voel klauwen, tanden, speeksel.
‘Ai!’
Ze laat haar tanden zien. Ik wil haar aaien maar ze stormt de zetel uit. Mij niet gelaten. Ik leg me goed en plaats een kussen onder mijn hoofd. In de keuken hoor ik hoe de eetbak over de tegels schuift, hoe Wacko woest op de brokken hapt. Ik lees verder.
Een tiental minuten later zie ik haar vanuit mijn ooghoek naderen, haar staart in de lucht. Ze gaat naast de salontafel zitten en wacht tot ik haar aankijk. Haar ogen zijn weer heldergroen, de pupillen een smalle streep. Ze springt in de zetel en ruikt aan mijn neus. Ze spint. Dan gaat ze met haar pootjes op mijn buik stampen, tot ze zich laat neervallen. Ze kijkt me aan, minzaam, en sluit dan haar ogen.

Tijger en schildpad

Ik knipper met mijn ogen en zet de helderheid van het scherm op het maximum. PJ ligt naast me, haar lijf uitgerekt, haar voorpoot op mijn heup. Ze baadt in de streep zon, het roze visje om haar nek fonkelt. Ik draai het visje om, mijn telefoonnummer is nog steeds goed leesbaar. Mila heeft PJ’s halsband gekozen in de dierensupermarkt. Oranje roze groene blauwe rode bolletjes, een roze sluiting, een roze visje. Een tijgerkat met een roze halsband, een tijgerkat die PJ heet, een tijgerkat met een buik waarop een vierkant stuk pels is weggeschoren, het litteken goed zichtbaar. PJ is zeven maanden oud en kan niet langer voor nakomelingen zorgen. Ik probeer me te concentreren, de zon voelt warm op mijn schouder, in mijn hoofd. Een tik tegen het raam, tik! Ik kijk naar rechts. Daar zit de schildpadkat, ze miauwt, ze spert haar mond wijd open, maar dat hoor ik niet door het gesloten venster. Ze tikt weer tegen het raam. Ik zwaai, zo weet ze dat ik haar heb gezien. Mijn laptop zet ik op de salontafel, PJ’s poot haal ik van mijn heup, ik sta op. Wacko ziet me naderen en springt van de vensterbank. Ze weet dat ik zo meteen de deur voor haar zal openen.

Manipulatieve kat?

Wacko merkt dat ik mijn jas aantrek, springt van de stoel en begint onrustig om me heen te kronkelen. Zonet lag ze nog vredig te slapen. Ik loop naar de deur, het miauwende beest loopt me na.
Een kat slaapt vrijwel de hele tijd, die kan perfect urenlang alleen zijn, dat weet iedereen. Maar het is hoé ze naar je kijkt. Alsof haar onrecht wordt aangedaan. In haar groene ogen schuilt paniek. Haar oren wijken een beetje naar achter. In haar miauw zit een krak.
Ik loop naar de keukenkast. Om de twee dagen krijgt Wacko wat Liefje en ik een kuipje noemen. Natte voeding van Sheba. Ik haal een kuipje boven en Wacko gaat uit haar dak. Weg met de bedreigde ogen, al heb ik nog steeds mijn jas aan. Terwijl ik de vleesjes uit het kuipje laat glijden, eet Wacko ze al op. Honger kan ze nochtans niet hebben, haar eetbak zit vol droge brokken.
Op weg naar de deur loopt niemand me na. Ik kijk achterom en zie een smakkende kat. Als ik ‘tot straks, Wacko’ roep, kijkt ze niet eens op.