Door het raam van de bus zie ik het groene landschap voorbijglijden. Ik zou graag uitstappen, diep inademen, door het gras lopen, langs de bomen. Het is zondagochtend. Uit de boxen klinkt ‘Jezeke is geboren, aleluja halloo, Jezeke is geboren in een bakske vol met stro,’ en dat al voor de tiende keer dit weekend.
De muziek gaat van Last Christmas van Wham! tot Formidabele Kerstmis van Xavier De Baere. Dezelfde cd speelt telkens opnieuw en we hebben dit weekend al vaak op de bus gezeten. Een uur rijden naar een restaurant, een uur naar Canterbury, een uur naar hier, een uur naar daar, en altijd dat Bakske vol met stro. Meer nog dan de andere nummers blijft het hangen, vooral het geluid van de belletjes, ik beweeg er intussen mijn hoofd op mee, ook al wil ik dat niet.
Ik ben mijn iPod thuis vergeten. Liefje ook.
We zijn op weekend in Kent, op kosten van een of andere verzekeringsmaatschappij. Wie meest verzekeringen verkoopt heeft recht op een snoepreisje. Liefje verkoopt geen verzekeringen maar haar baas wel en die gemenerik gaf haar deze reis cadeau. Ze durfde niet te weigeren, ze dacht trouwens dat het kon meevallen, de mooie natuur in Kent, een chic hotel, eten in een sterrenrestaurant, alles gratis. Ik had er sowieso geen vertrouwen in.
Achter in de bus begint de kerel met de baard weer heel luid te praten. Dan volgt het schaterlachen van de verzekeringsmensen rondom hem. Om de twee minuten hoor je die luide stem en dat gelach. Ik luister niet naar wat ze zeggen, ik heb er mijn oren voor afgesloten. Kon dat ook maar werken voor Bakske vol met stro.
We rijden naar Leeds Castle. Ik hoop dat we een Britse gids krijgen want we zijn al twee dagen in Kent en ik heb nog geen Engels gehoord, behalve dat van obers en hotelpersoneel. We schuiven tweemaal per dag aan voor een driegangenmenu, aan grote, ronde tafels met kerstversieringen en feesthoedjes. Bij de receptie vrijdagavond waren de gastvrouwen verkleed als kerstvrouwen. Het is vandaag zondag 24 november. November.
De boxen kraken. It’s gonna be a cold cold Christmas verdwijnt, de hijgerige stem van de gids neemt het over. ‘Beste mensen, ik heb goed nieuws. We mogen de bus parkeren vlàkbij de ingang van het kasteel. En nog béter: de bus mag er blijven stààn, dus als u straks na de rondleiding weer buiten komt, kunt u metéén weer op de bus! U hoeft niét ver te stappen. Het is heel uitzonderlijk dat men ons deze gunst verleent.’
Gejuich weerklinkt door de bus. Buiten schijnt de zon maar blijkbaar houden verzekeraars en hun vrouwen niet van wandelen, ook niet in een natuurpark rond een kasteel.
De baard scoort weer met een opmerking en lacht zelf luid mee. Ik heb zin om een staak door zijn strot te rammen.
Ik kijk naar Liefje. Ze haalt de schouders op. ‘Vanavond zijn we thuis,’ zegt ze.
Nog twaalf uur. Het lijkt ongelooflijk ver weg.
‘Moeten we deze middag echt weer urenlang aan zo’n ronde tafel zitten met twaalf man?’
‘Ik vrees het,’ zegt ze.
We kunnen niet ontsnappen. Al het hele weekend kunnen we dat niet. Een afgelegen hotel, een strak programma, pas om twaalf uur ’s nachts op de hotelkamer en om zeven uur weer uit bed voor het ontbijt. Obers lopen me altijd te zoeken met een speciaal voor mij gemaakte vegetarische maaltijd, gisteren was ik de enige in het sterrenrestaurant die een jeans droeg. Ik haat opvallen maar hier doe ik het wel. Liefje ook, het lijkt alsof iedereen met haar wil praten. Dan speelt ze haar rol en zie ik de vermoeidheid op haar gezicht.
Ik geeuw, kijk door het raam. Het is hier echt mooi, alles groen en uitgestrekt, weinig beton, ik wil hier nog eens naartoe komen zonder verzekeringsmannetjes.
De stem hijgt weer in de micro. ‘Beste mensen, zo metéén bereiken we het kasteel. U hoeft zich niet dik te kleden, we hoeven toch niet te wandelen. Hahahààà, wat hebben we dat weer goed gedaan!’
Categorie: stuff
Obstakel
Ik stap uit de tram en steek de baan over. Het is zeven uur ’s avonds, donker, koud ook. Er is meer lawaai dan anders, van auto’s die over de natte weg razen. Ik wil in de zetel zitten met een dekentje en televisie kijken. Lekker warm. Zonder gedoe.
De regen van daarnet is motregen geworden. Enkele meters voor me, aan de overkant van mijn straat, zie ik een kat. Ze staat bij een geparkeerde auto en maakt aanstalten om over te steken. Er komt een auto aan, hij rijdt te snel. Ik ga wat op straat lopen om hem te doen vertragen. Als de auto voorbij is steekt de kat over.
‘Oppassen voor auto’s,’ zeg ik tegen de kat.
Ik loop verder, even later hoor ik een miauw. Het klinkt schril. De kat loopt achter me aan.
‘Ga naar huis. Het regent.’
Ik versnel mijn pas maar de kat blijft achter me aan lopen. Misschien is het een zwerfpoes. In de regen. Zonder eten. Ze kijkt me recht in de ogen en miauwt weer. Ik wil in de zetel zitten met een dekentje, ik wil me niet ontfermen over een zwerfkat. Of ik wil dat misschien wel maar het gaat het niet want Wacko haat andere katten.
De kat miauwt weer. Ik aai haar. Ze heeft iets ondeugends, haar vacht is wit met grijze vlekken. Een jong dier nog. Ik kan dat beestje toch niet aan haar lot overlaten? Misschien moet ik bellen naar zo’n vzw die katten opvangt.
Of misschien is het geen zwerver, ze is niet mager. Aan het begin van de straat, niet ver van de steenweg, heb ik eens een grijswitte poes als deze gezien. Denk ik. Ik loop een eind terug, het begint weer feller te regenen, de kat loopt achter me aan tot bij het begin van de straat.
Langs een voortuintje ga ik naar een deur, de kat blijft op straat staan. Hier is het dus niet. Ik probeer het huis ernaast. De poes komt dicht bij de deur zitten en houdt de klink in de gaten. Bingo. Ik duw op de bel.
Als de deur opengaat loopt de kat meteen naar binnen. De man in de deuropening heeft haar niet gezien, hij kijkt me nieuwsgierig aan. Ik wijs naar de kat in de gang.
‘Is dat jouw kat?’ vraag ik.
Hij kijkt naar de kat en lacht. ‘Ja,’ zegt hij.
‘Super,’ zeg ik en ik draai me om.
‘Ze loopt met iedereen mee,’ zegt hij, ‘ze is nogal sociaal.’
‘Ja, blijkbaar.’
Ik steek mijn hand op, hij ook. Het regent hard nu, ik loop snel naar huis. Ambetante kat.
Tieners
Tegen de stroom in stap ik door de schoolpoort. Die tieners willen zo snel mogelijk buiten raken, ik loop hen in de weg. Het is de eerste keer dat ik Kasper en Mila van hun nieuwe school afhaal. Ik snap het niet goed. Waar blijven al die tieners vandaan komen? De straat bezetten ze ook al, ze bewegen zich voort in groepjes of ze staan stil op het voetpad, chips te eten of te roken.
Ik loop dicht tegen de muur van het gebouw om de stroom te ontwijken. In de lucht hangen allerlei geuren, van aftershaves en parfums, geuren van op school vroeger, toen ik zelf een tiener was. Dat geeft me een onwennig gevoel, net zoals toen.
Eenmaal op de speelplaats van de basisschool is het anders. Minder haast, meer lucht, spelende kinderen die niet meteen hoeven te roken, te bellen of te sms’en. Mila rent op me af en geeft me een knuffel, vanop een tiental meter afstand toont Kasper met een knik dat hij me heeft gezien, dan stapt hij samen met zijn vriend naar de uitgang waar ook de tieners van het atheneum lopen. Mila en ik volgen hem.
Even later belanden we in de stroom. Het begint weer te regenen. Mila neemt mijn hand vast, wat lijkt ze klein ineens, Kasper ook trouwens. We lopen mee in een lange rij richting station. Wanneer de bus arriveert gaan we bij de deur staan zodat we er eerst op kunnen. We gaan zitten op zo’n plek waar de zitjes tegenover elkaar staan. De tieners nemen snel de rest van de bus in. Een jongen van een jaar of zestien komt naast me zitten, ik ruik zijn aftershave, weer zo’n geur die ik vaag herken. De jongen heeft groene ogen en lange, donkere wimpers. Op zijn kin en wangen staan puistjes, hij scrollt door de liedjes op zijn iPhone, stopt de oortjes in zijn oren.
Er is veel rumoer, de ramen van de bus zijn beslagen. Mila lijkt nog kleiner nu, zittend op haar stoel, met naast haar die lange slungels. Ofwel praten ze luid met elkaar, ofwel zijn ze met hun telefoon bezig. Kasper en Mila zeggen niks, ze observeren. Bij elke halte wringen meer tieners zich de bus op. Ik ben blij dat we zitten. De jongen naast me staat op en duwt zich door de massa naar de deur, zo zie ik de andere kant van zijn rugzak, daarop kleeft een sticker van Nirvana.
Hmm. Misschien ben ik dan toch nog niet zó oud.
De kater en de storm
De wind beukt tegen het raam. Met het raam dicht zou het stiller zijn maar ik heb de frisse lucht nodig. Liefje ook, veronderstel ik. Ze slaapt. Het voelt alsof het bed door de kamer zwalpt, in de verte piept een autoalarm, dan stopt het en begint het weer. Al een hele tijd nu. Kiekens. Het is bijna vijf uur. Ik lig al een uur wakker, mijn hoofd bonkt van de pijn, en ik moet om zeven uur op. Ik heb nog maar drie uur geslapen.
Een feestje op zondag is gevaarlijk als je moet werken de volgende dag.
Ik drink nooit meer.
Een minuut voor de wekker zou gaan sta ik op. Ik moet me vasthouden aan de leuning van de trap, door het raam zie ik bomen heen en weer zwiepen, de tuinstoelen van de buurvrouw liggen verspreid over haar tuin.
In de keuken krult Wacko zich om mijn benen, ik ga zitten omdat ik niet goed kan staan en neem haar op mijn schoot. Ik aai en knuffel haar, ze spint zo luid en snel dat ze erbij piept.
Even later trek ik de achterdeur open en voel ik de wind. ‘Wil je wandelen, Wacko?’
Ze komt naar de deur, kijkt naar de bladeren die in een kring op de koer dansen. Dan draait ze zich om en gaat ze naar haar etensbak. Ik hoor de brokken kraken.
‘Ook goed. Zeg maar als je zover bent.’
Ondanks het warme water voelt de douche niet goed, het duizelt in mijn hoofd, ik moet me te veel concentreren.
Aan tafel smeer ik een boterham met enkel boter, meer krijg ik niet binnen. Het brood blijft in mijn mond plakken maar ik moet het doorslikken, anders loopt dit slecht af. Wacko zit op een stoel aan de tafel, ze kijkt naar me.
Ik hoor gestommel in de gang. Liefje sloft de keuken binnen, haar gezicht heeft iets van een donderwolkje. Ze kan een half uur langer blijven liggen, ze vertrekt later ’s morgens.
‘Gaat het?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt ze.
‘Met mij ook niet,’ zeg ik.
Ze neemt een tas en zet koffie. Ik wil ook koffie, om wakker te worden, maar dat kan nu niet. Ik voel me misselijk en koffie zou dat enkel erger maken. Vandaag zal het zonder moeten, ook op het werk. Mijn spieren voelen stram, alsof ik hard heb gesport.
Wacko springt bij Liefje op schoot.
‘Ze wil niet buiten,’ zeg ik.
‘Ze heeft gelijk,’ zegt Liefje terwijl ze Wacko aait.
Ik geef hen een zoen, trek mijn jas aan en ga naar buiten. Het waait harder dan ik dacht. Er liggen takken op straat. Het lijkt alsof mijn hoofd twee meter achter mijn lijf aan zweeft. Het is koud, mijn jas is te dun, straks krijg ik zo’n tak op mijn kop, nog meer pijn.
Op de tram is het warm en muf, dat is niet bevorderlijk. Ik focus op wat ik buiten zie. Gevallen fietsen, een reclamebord dat is neergekomen, nog takken op de weg, hier en daar een fietser die amper vooruit raakt.
Ik kom aan op het werk, niemand lijkt iets te merken. Misschien zie ik er ’s morgens altijd zo uit, geen idee. Ik staar naar mijn scherm, weet niet goed wat te doen, en de dag duurt nog tot zes uur. Zonder koffie.
Maar het was wel een leuk feestje.
Courgettesoep, poging vijf
In de Delhaize sta ik voor het rek met de bouillon. Tussen alle vlees- en visfonds staat nog één potje groentefond. Ik zet het in mijn kar, en zie de bouillonketeltjes van Knorr. Een vorige keer had ik te veel van die keteltjes in de soep gegooid, alles smaakte naar Knorr. Als ik het nu bij eentje hou kan het geen kwaad. Veronderstel ik.
Sinds enkele maanden worden we overladen met courgettes uit de tuin van mijn pa, dus probeer ik er soep van te maken. Volgens een recept dat ik net op internet heb gezien kan er ook Boursin Quisine bij courgettesoep. Elders las ik dat je een soep best zo puur mogelijk houdt, dat extra smaken de boel kunnen verbrodden. De laatste keer had ik er mosterd in gedaan en pesto en kruidenkaas en bouillonblokjes en die keteltjes, dat was een beetje van het goeie te veel. Maar er moet toch iets speciaals in? Op de zuivelafdeling vind ik verschillende soorten Boursin Quisine. Dat verwart me, ik kijk er een tijd naar en kies dan voor ‘knoflook met fijne kruiden’.
Ik moet nog uien hebben. Geen aardappelen. Nog een vorige keer had ik zoveel aardappelen gebruikt dat de soep een soort slappe puree was geworden. Toen ik voor het eerst courgettesoep maakte voor Liefje dacht ik dat ik haar omver zou knallen. Ze zei dat het lekker was en ze at alles op maar ze nam geen tweede portie. Ik ook niet trouwens. Als zij soep maakt heb ik zin om in de pot te kruipen en alles uit te likken. De overschot van mijn soep blijft meestal enkele dagen in de koelkast staan en wordt dan door het toilet getrokken.
Bij de melk verspert een kar me de weg. In die kar liggen pompoenen, prei, een hoop andere groenten, kruiden, van alles. Liefje kan moeiteloos ingrediënten tot een lekker gerecht omtoveren. Dan staat ze met een frons bij de kookpotten, voegt ze allerlei kruiden toe waarvan ik de namen zelfs niet ken. Alles wat ze maakt smaakt lekker. Ik deug enkel als haar persoonlijke groentesnijder en afwasser. Voor ik haar kende kookte ik weinig, alleen groenten in de wok, nooit soep. Die kocht ik in de winkel om de hoek.
Maar goed, wie weet zorgt de Boursin voor een doorbraak. Ik loop langs het kattenvoer en neem enkele potjes Sheba voor Wacko, dan ga ik naar de kassa. Het enthousiasme plakt aan mijn schoenzolen.
Ecocheques = klotecheques
Het is middagpauze, ik loop naar de Lijnwinkel. Morgen vervalt mijn abonnement. Ik heb een envelop vol ecocheques, ze zijn 250 euro waard. Een jaarabonnement kost 237 euro. Ik trek de deur open en stap het hok binnen, een winkel kun je het niet noemen. Het ruikt er muf, naar uitgeademde lucht. Een vrouw staat voor. Ze praat plat Gents en ze kauwt op haar woorden, ik begrijp niet wat ze zegt. Ik duw tegen de deur, hou mijn voet ertussen zodat hij niet dichtvalt en adem door de kier.
Zoveel geld voor een abonnement, om misselijk van te worden.
‘Pardon!’ Het is de stem van de vrouw die net nog zo onduidelijk sprak, heel helder nu.
Ik stap opzij en ga naar het loket. De man van de Lijn kijkt me aan, zijn armen liggen gekruist op de balie.
‘Ik moet mijn abonnement verlengen. Kan dat intussen al met ecocheques? Vorig jaar zeiden jullie dat het enkel een kwestie van tijd was.’
‘Nee, nog steeds geen ecocheques.’
‘Wanneer dan wel?’
‘Nooit waarschijnlijk. Ze komen niet tot een overeenkomst met de overheid. In de wet staat dat er geen abonnementen mogen worden gekocht met ecocheques. En daarbij, de Lijn zou er toch te veel op verliezen.’ Hij haalt zijn schouders op.
Ik zucht. ‘En dan zeggen ze dat ze met die ecocheques duurzame mobiliteit willen bevorderen. Wat voor zever is dat?’
‘Sorry,’ zegt hij. ‘Ik kan er ook niks aan doen.’
‘Nee. Jij kunt er niks aan doen, da’s waar.’
‘Maar er is een andere mogelijkheid.’ Er verschijnt een lachje op zijn gezicht. ‘Je kunt met je ecocheques wél Lijnkaarten kopen. Dan koop je er gewoon een heleboel en daar kun je ook een heel eind mee weg.’
‘Lijnkaarten? Die zijn drie of zelfs vier keer zo duur, als je vaak de tram neemt.’
‘Het is een mogelijkheid, mevrouw.’ Hij legt de klemtoon op de ‘een’.
‘Dus voor die dure kaarten mag het wel en voor een abonnement niet?’
‘Inderdaad,’ zegt hij.
‘Onnozelaars.’
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Zal ik dan nu uw abonnement vernieuwen?’
Ik geef hem mijn identiteitskaart en mijn oude abonnement. Even later duw ik mijn bankkaart in het betaalapparaat. Ik tik mijn code in en voel hoe mijn maag samentrekt. In mijn bankrekening een gat van 237 euro en in mijn zak een envelop vol ecocheques. Klojo’s.
Boterhamworst
Volgens de buienradar blijft het nu even droog. Gigantische regenzones links en rechts van Gent, over een half uur weer regen. Uit het raam kijken heeft geen zin, de lucht is grijs, het valt niet te voorspellen. Ik moet naar de winkel. Straks maak ik courgettesoep, ik heb soepgroenten, aardappelen en uien nodig. De rest is er.
Over een natte weg fiets ik naar de Aldi, die winkel is het dichtstbij, een halve kilometer. Het regent niet maar in de verte ziet het zwart.
Ik duw vijftig cent in een kar en loop naar binnen. Er is niet veel volk, dat is goed, op enkele minuten vind ik wat ik zoek. Ook aan de kassa valt het mee, twee mensen voor en ze hebben slechts een paar dingen bij. Ik betaal en gooi alles in mijn rugzak.
Buiten zet ik de kar weg, de wolken komen gevaarlijk dicht. Als ik de slagerij passeer denk ik eraan dat ik nog boterhamworst zou kopen voor de kinderen. Eén iemand staat voor, dat moet lukken. Ik ga binnen, de geur van vlees en reinigingsmiddelen overvalt me, dat is altijd een beetje volhouden. De vrouw voor me bestelt een stuk lunchworst. Op de toonbank liggen al heel wat pakjes. Dan vraagt ze honderdvijftig gram kip-curry, daarna honderdvijftig gram vleessalade, dan weer honderd gram americain préparé. In dat laatste potje zit twintig gram te veel, de verkoopster haalt het er weer uit. Op haar gemak.
‘En dan nog anderhalve kilo gemengd gehakt.’
Ik kijk buiten, de wolken zijn aangekomen.
‘En vier biefstukken.’
De verkoopster wijst haar enkele voorgesneden stukken aan.
‘Ik zou liever hebben dat je ze vers afsnijdt.’
Mijn handen zijn vuisten, ik voel iets wat op agressie lijkt. Samen met haar glimlach verdwijnt de verkoopster naar achteren. Even later komt ze terug met vier biefstukken.
‘En dan nog zes brochetten.’
Ik bijt in de rug van mijn hand.
‘Nog iets, mevrouw?’
‘Dat is alles.’
De vrouw betaalt vijfentachtig euro en verlaat de slagerij, samen met haar Aldikar.
De verkoopster kijkt naar me, haar lach is breed. ‘En voor u, mevrouw. Astublieft?’
‘Vijftien schelletjes boterhamworst graag.’
Ze neem de plakken van een berg en verpakt ze. ‘Nog iets?’
Ik schud het hoofd.
‘Dat is dan een euro tien, astublieft. Hebt u uw klantenkaartje mee?’
‘Heb ik niet,’ zeg ik. Ik geef het geld en zie dikke spetters tegen de ruiten spatten.
‘Astublieft, mevrouw!’ zegt de verkoopster enthousiast.
‘Merci!’
Ik stop het pakje in mijn rugzak, stap door de schuifdeuren naar buiten en adem diep in. Het regent hard maar wachten is onnozel, dit houdt niet snel op. Slim van me, ik heb zelfs geen jas mee. Terwijl ik naar mijn fiets ren zie ik de vrouw die zonet voor me stond, ze rijdt in een BMW over de parking, naar de uitgang.
Blind
Ik plof neer op een stoel en kijk naar buiten, naar de Brusselsesteenweg in de regen. De natte paraplu ligt bij mijn voeten. Vannacht lag ik te laat in bed, ik heb maar een uur of vijf geslapen, ik snak naar nog een koffie. Er zit veel volk op de tram, altijd als het regent.
‘Excuseer?’
De stem klinkt heel dichtbij, het moet de vrouw zijn die achter me zit. Heeft ze het tegen mij? Dat kan bijna niet anders. Ik heb geen zin om te reageren.
‘Excuseer?’
Ik zucht en draai mijn hoofd. ‘Ja?’
Ik praat nooit op de tram, zeker niet om acht uur ’s ochtends, de tram dient om rustig wakker te worden, zonder gedoe.
De vrouw op de stoel achter me glimlacht, ze is een jaar of zestig. Ondanks de regen draagt ze een zonnebril.
‘Mevrouw,’ zegt ze, ‘kun je me zeggen of dit de 21 of de 24 is?’
Wat voor vraag is dat nu?
‘De 21.’
Pas nu merk ik de stok op die ze bij zich heeft, de witte stok. Door de brillenglazen heen zie ik haar ogen naast me kijken. De ergernis verdwijnt meteen, goed dat ze mijn gezicht niet heeft gezien. Hoewel, ze kan het aan mijn stem gehoord hebben.
‘Dan moet ik straks overstappen op de 4, aan de Zuid. Dan weet ik dat nu.’
‘Lijkt me lastig, dat zelf niet kunnen zien.’
Ze begint te vertellen, over hoe ze een auto-ongeval heeft gehad toen ze dertig was, op de snelweg. Een auto reed haar aan en ging ervandoor. Ze lag vijf maanden in coma en daar is ze van hersteld, enkel die blindheid is gebleven. Ze praat luid, ze lacht veel, het is leuk om naar haar te luisteren. Intussen vult de tram zich bij elke halte met meer mensen, ze kijken naar ons. De blinde vrouw is op weg naar een dagcentrum waar ze met andere slechtzienden kan praten en ook wat kan werken. Daar houdt ze van, zegt ze. Ze komt graag buiten, neemt vaak de tram.
‘Hoe weet je waar je moet uitstappen?’ vraag ik. Niet elke tram heeft zo’n stem die de haltes aankondigt.
Ze lacht. ‘Ik ken élk hobbeltje en élke bocht van élke tramroute in Gent. Ik weet altijd perfect waar ik ben.’
Aangekomen aan de Zuid staat ze op en stapt ze naar de deur. Het is een kleine tram, ik ben bang dat ze ergens tegen zal stoten of over iets zal struikelen of weet ik veel wat, maar ze beweegt vlotter dan de meeste mensen. Op het aankondigingsbord bij het perron staat dat tram 4 over vijf minuten zal aankomen. Dat zeg ik haar.
‘Dank je,’ zegt ze. ‘En tot de volgende keer! Ik zal je wel herkennen.’
‘Oh ja?’
‘Aan je geur. Je ruikt naar vanille. Iedereen heeft een andere geur.’
Ik moet lachen, zij ook. Ik open mijn paraplu, stap weg en zwaai naar haar, hoewel ik weet dat ze me niet ziet. Ze ziet niemand, maar iedereen ziet haar, zoals ze daar staat, onder dat afdak, met haar tas en paraplu aan haar arm en die witte stok. Kwetsbaar en tegelijk ook niet, ze straalt iets heel sterks uit. Ik stap verder, kijk nog verschillende keren om, tot ze uit het zicht is verdwenen.
Kapotte deur
Ik wacht op de tram. Het is kwart over zes, ik ben klaar met werken. Voor me staat een kerel van De Lijn, in korte broek, met op zijn kuit een tatoeage, een tribal. Zijn haar is strak naar achteren gekamd in een staart, hij heeft bakkebaarden, brede schouders en een bierbuik. Hij rookt. Door de sigarettenrook heen ruik ik zeep, lekkere zeep. Hij is enkele jaren jonger dan ik. Het lijkt alsof iets hem dwars zit, hij fronst.‘Niks te melden?’ vraagt de staart.
‘En gij hebt dat niet bekeken?’
‘Ik heb het vijf minuten geleden maar gezien.’
De jobstudent
In de supermarkt loopt iedereen me voor de voeten. Ik moet nog naar de bibliotheek en ik moet nog eten, en dat op een half uur want op het werk is het weer irritant druk. Aan de afdeling zuivel en vlees zie ik dat ze belegde broodjes verkopen. Wist ik niet. De groenten lijken vers, het stokbrood ook, en er staat niemand aan te schuiven, perfect. Enkele meters verderop snijdt en verpakt een vrouw kaas. Ik glimlach, ze ziet me maar negeert me. Ik knijp mijn handen tot vuisten en staar haar aan. Ze blijft me negeren.
‘Excuseer, ik wil een belegd broodje,’ zeg ik.
Zonder me aan te kijken wenkt de vrouw iemand die ik van hieruit niet kan zien. Even later stapt een meisje traag naar me toe. Ze is een jaar of zestien en draagt een T-shirt voor jobstudenten. Ik zucht, bijt op mijn lip. Zou ik er niet beter vandoor gaan nu? In de Panos smeren ze me op vijf seconden een broodje. Het meisje kijkt me vriendelijk maar onzeker aan. Haar handen beven. Dat raakt me, ik wil niet lomp doen, niet tegen haar.
‘Een bruin broodje met komkommersla en groenten, asjeblieft.’ Ik probeer zoveel mogelijk warmte in mijn stem te leggen en erbij te lachen, misschien stelt dat haar wat meer op haar gemak.
Ze kijkt rond, vindt plastic handschoenen en trekt die aan. Dan pikt ze er een stokbrood uit, neemt een mes en snijdt het open. Dat gaat heel moeizaam. Zou dit haar eerste dag zijn? Of haar eerste belegde broodje? Ik moet denken aan hoe ik op mijn zestiende voor het eerst aan die kassa in de Blokker stond. Het was druk en dat ding blokkeerde, net wanneer een hele rij stond aan te schuiven. Een kerel begon me uit te kafferen, in het Frans. Ik verstond niet wat hij zei, maar ik kreeg tranen in mijn ogen. Zestien jaar, dat lijkt meerdere levens geleden. Nu zou ik zo’n klootzak gewoon de winkel uit schoppen.
Het meisje smeert de komkommersla traag en zorgvuldig op het brood. Dan kijkt ze me aan.
‘Wilt u alle groentjes?’ Ze vraagt het alsof ze het meent, alsof het voor haar echt belangrijk is welke groenten ik wil.
‘Ja, graag. En wat ei ook.’
Ze neemt uit elke bak iets en stopt het in het broodje dat intussen rijkelijk gevuld is. Wanneer ze het op het inpakpapier legt, rolt het omver en vallen de groenten eruit. Ze kijkt even naar me maar ik doe alsof ik het niet heb gezien. Ze propt alles terug in het brood, wikkelt het papier dicht. Dan laat ze haar vinger over het toetsenbord van een kassa zweven, ze tikt iets in en kleeft een vignet met de prijs op de verpakking. Ze doet haar handschoenen uit en geeft me het broodje. Het papier zit los.
‘Merci,’ zeg ik. ‘Dat zal smaken.’
Het meisje lacht, haar wangen zijn rood.
