Gierende banden

Liefje vertrok met gierende banden. Ik deed snel mijn gordel om. Nooit eerder had ik in een auto gezeten die met gierende banden optrok. Liefje was razend. Zo had ik haar nog niet gezien. Ik ken haar pas een jaar en drie maanden, maar toch. Om de hoek trok ze alweer met gierende banden op. Het klonk net als in de film.
‘Ik ben die straat van jou beu!’ riep ze. ‘Kotsbeu!’
Intussen kleefden we aan de bumper van een traag rijdende auto. Grommend sloeg Liefje op het stuur. Toen we de auto enkele seconden later konden passeren, gaf ze de bestuurder een middelvinger.
Ik keek haar aan. Ze kaatste een verongelijkte blik terug.
‘Wat denk je nu? Met wat voor zot wijf zit ik hier opgezadeld?’
Ik knikte, glimlachend.
Aan het stoplicht rukte Liefje de parkeerboete uit mijn hand. De derde al. Op drie weken tijd was ze drie keer enkele minuten te laat geweest. Ze scheurde de boete in twee. Het propje gooide ze door het raam.
‘Sorry voor mijn gedoe,’ zei ze. ‘Maar die 25 euro betaal ik niét. Ik val nog liever dood.’
Haar ogen werden weer zacht. Ze trok me naar zich toe en gaf me een zoen. Ik glunderde.

Terreur

Als ik stop met aaien, zit Bo alweer in mijn haar te bijten. Een van zijn favoriete bezigheden, naast keffen. Ik gooi mijn haar naar achter. Chihuahuaspeeksel hoeft niet per se.
Bo zit al een uur bij me op schoot. Telkens ik hem op de grond zet, wil hij meteen terug. Als ik hem niet snel oppak, slaat hij aan het keffen. Tegen een keffende chihuahua kun je niks beginnen. Je krijgt er koppijn van, ook als je iemand bent die niet snel koppijn krijgt. Bo schuurt zijn compacte lijfje tegen mijn arm, zodat ik hem blijf strelen.
Volgens mama en papa vertoont hij dit gedrag enkel bij mij. In hun ogen glimt trots.

Vrolijk hoertje

Al meer dan tien jaar glimlach ik naar de hoertjes die naar mij glimlachen. De andere negeer ik, zoals ook zij mij negeren. Een beetje zoals bij doorsnee buren.
Sinds een jaar is er een meisje dat vrolijk naar me zwaait. Ze heeft altijd een wit hondje bij. Ondanks mijn nieuwsgierigheid praat ik er niet mee. Afstand houden, niet betrokken raken bij pakkende verhalen. Misschien is haar verhaal helemaal niet zo pakkend, maar ik neem geen risico.
Het blijft luguber, wat die vrouwen met klanten moeten uitvreten. De levenslust van het meisje raakt me, telkens ik haar vrolijk naar me zie zwaaien van achter haar raam. Dat enthousiasme. Zoals een guitig kind naar een vriendinnetje zwaait. Ligt het aan de drugs? Van dit soort werk word je toch niet vrolijk? Misschien vindt ze me gewoon grappig. Wat ik op een maand verdien, verdient zij op twee dagen.

En daar zitten ze dan…

In de achteruitkijkspiegel vind ik hen niet terug. Ze zijn te klein. Kasper en Mila, negen en zes, broer en zus. Achter in de auto. Mijn onwennigheid probeer ik te maskeren door de radio luid te zetten. ‘Paradise City’ van Guns ’n Roses. Als ik omkijk, zie ik bewegende hoofdjes en vingertjes die mee de maat slaan.
Hier en daar hebben vrienden een baby, maar geen mensjes die babbelen en een mening verkondigen. De laatste keer dat ik met een negenjarige heb gepraat was ik zelf negen. Vijfentwintig jaar geleden dus. Stiekem hoop ik dat de koters me leuk vinden.
Ik vervoer twee schatten. Niet in de melige zin van het woord, daarvoor ken ik hen nog niet goed genoeg. Nee, voor twee mensen zijn deze kinderen het meest dierbare wat op de aardbol rondloopt. Voor Liefje, en voor haar ex. Als ik mijn auto nu in de prak rij, draag niet enkel ik daar de gevolgen van.
‘Paradise City’ vloeit over in ‘Use Somebody’ van Kings of Leon. Ik kijk achterom en zie dat het goed is.