Liefje parkeert de auto

parkerenIn de Sleepstraat vinden we geen parkeerplaats, ook niet in de straten errond. Dat is vervelend want we hebben honger en we willen zo snel mogelijk Turkse pizza.
‘Misschien moeten we wat verder gaan staan?’
‘Nee.’ Liefje raakt de auto altijd liefst zo dicht mogelijk bij de bestemming kwijt. Enkele seconden later rijden we weer de Sleepstraat in.
‘Ik denk dat er verderop een plekje was,’ zegt ze.
‘Was dat niet te klein?’
‘Ik heb het niet goed gezien.’
Halverwege de straat stopt ze bij de bewuste plek. Die is veel te nipt. Voor de deur van een café zitten mannen met grote, grijze snorren, ze praten en roken. Wanneer ze merken dat Liefje op die korte strook asfalt wil parkeren, stoten ze elkaar aan en wijzen ze naar de auto. De mannen kijken naar haar, naar mij, schieten vervolgens in de lach.
Ze knipoogt naar me. Ik klem mijn hand om de greep aan de deur. Ze zet de versnelling in achteruit en schiet het gat in. In de spiegel zie ik de neus van de geparkeerde wagen gevaarlijk snel naderen. Ze remt, draait aan het stuur, vliegensvlug, zet de auto in vooruit, geeft gas, dan draait ze weer, in achteruit, vooruit, achteruit, en hup, ze duwt de versnelling in neutraal, trekt aan de handrem en zet de motor af. Alles op enkele seconden tijd, met een lach op haar gezicht. Hier houdt ze van.
Ik haal adem, voor mij voelt dit een beetje aan als op een kermisattractie zitten. Sinds ik bij het parkeren ooit met mijn voorlicht tegen de bumper van een camionette ben geknald durf ik enkel nog op ruime plekken te gaan staan, anders hoeft het niet.
We stappen uit. Ik kan niet tussen onze bumper en de neus van de andere auto, ook niet als ik zijwaarts zou lopen. Aan de voorkant lukt het wel, krap. De mannen met de grijze snorren kijken naar haar, op een andere manier dan daarnet, alsof er iets is gebeurd wat niet klopt.
We lopen het restaurant binnen, de geuren die er hangen doen me nog meer honger krijgen.

Botsing in de Aldi

aldiWe proberen met onze kar door rijen te lopen waar anderen doorheen slenteren. Het is zaterdag. Heel Gentbrugge doolt rond in de Aldi. We kennen de winkel, we kunnen routineus dingen in de kar gooien. Nog enkele rijen overleven, dan de kassa trotseren en we zijn ervan af.
Bij het snoep en de koeken verzamelen twee Aldivrouwen kartonnen dozen, de geblondeerde en een andere. De geblondeerde werkt hier al lang, ze valt op door haar huid, roestbruin van de zonnebank, en haar zwarte ogen. De vrouwen drukken de dozen plat en gooien ze in een hoge kar. Ze praten en lachen, ze doen dat met het nodige volume.
We schuiven achter de andere karren aan, voorbijsteken gaat niet. Eindelijk arriveren we in de laatste rij, de rij van de groenten en het fruit, de kazen en de charcuterie. Die rij is de moeilijkste, om de een of andere reden lopen ze je daar nog meer voor de voeten dan elders in de winkel.
De geblondeerde duwt de reuzenkar ook deze rij in, aan de andere kant, ze doet dat nogal bruut, mensen moeten voor haar wijken.Omdat de gewone karren elkaar niet langer kunnen kruisen, ontstaat er file. Onze knop drukken we in voor we de Aldi binnenkomen, dus we zien het gelaten aan.
Vijf minuten later, op enkele meters van de Aldivrouwen, trek ik een pak yoghurt uit het koelvak.
‘Amai! Kijk naar da kind daar! Moest de mijne er zo uitzien, ik sprong in de Schelde!’ De stem van de geblondeerde klinkt luid en zwaar, haar lach schettert.
Ze kijken naar een moeder en haar dochter in de rij hiernaast, bij de diepvriesafdeling. Het meisje is bleek en maakt vreemde bewegingen met haar mond. In de ogen van de moeder zie je het soort bezorgdheid dat nooit zal verdwijnen, omdat ze weet dat haar kind het nooit alleen zal redden. Heeft die vrouw dat gehoord? Het was luid genoeg. Nee, dat zou je aan haar gezicht zien, ze is enkel met haar dochter bezig.
De geblondeerde en haar collega lachen zich een ongeluk, ze slaan op het karton dat ze platduwen, ze huilen er bijna bij. Ik kijk naar Liefje. Ze snuift luid en duwt de kar vooruit, die botst tegen de grote kar van de Aldiwijven. Ze schrikken op.
‘Besef jij wel wat je doet? Wat je zegt?’ Liefjes stem trilt, ze knijpt in de handgreep van de kar.
De geblondeerde kijkt haar met open mond aan, ze fronst en kijkt naar haar collega. Die haalt de schouders op.
Ik manoeuvreer onze kar voorbij hun kar en trek aan Liefjes arm. Haar ogen zijn in oorlog met die van de geblondeerde.
‘Kom,’ zeg ik. Ze stapt mee.
Als ik na enkele meters mijn hoofd draai, zie ik de twee naar ons kijken, hun blik is vernietigend. Ik sla mijn arm om Liefje heen, geef haar een zoen.

Kijk! Lezzers!

haardWe rijden langs smalle wegen met haarspeldbochten. Tussen de bomen ligt nog wat sneeuw, PJ Harvey kreunt in onze oren en de verwarming blaast op volle kracht. Een verkeerde draai aan het stuur en we liggen vijftig meter dieper, tussen de bomen aan de oever van de rivier.
‘Zalig rijden hier,’ zegt Liefje.
Ik ben nog steeds aan het bibberen. Altijd die verdomde kou.
We stoppen in een klein dorp. Er staan enkele huizen en een kerk, ook een bakkerij en een café. De bakkerij is gesloten.
‘Koffie?’
Ik knik. Liefje parkeert de auto.
We stappen het café binnen. Aan de toog hangen drie mannen in overall, aan een tafel zitten enkele oudere dames die luid praten en koffie drinken. Ze kijken even naar ons en tetteren dan verder. In het Frans, dat doet deugd, want in La Roche loopt het vol Vlamingen.
Achterin het café staat een salon en brandt de open haard. Die geur van het hout, lekker. We laten ons vallen in een driezit die lijkt weggeplukt uit de kringloopwinkel.
We zijn even weg van de groep, we logeren met zestien mensen in een oud kasteel. Vreselijk is die groep niet, integendeel, het zijn de vrienden van Liefje en ze zijn dik in orde, maar het is en blijft een groep, met groepsdynamieken en groepsactiviteiten, en zo van die dingen. Voor mij is dat behoorlijk vermoeiend.
Nadat we onze koffie hebben opgedronken dommelen we weg. Liefjes been ligt op mijn knie, haar hoofd op mijn schouder, haar hand hou ik in de mijne. Telkens ik mijn ogen open zie ik hoe de vlammen het hout in de haard tekeergaan. Alles is rustig en warm. Pas nu valt het me op dat de stemmen van de oudere dames zijn verdwenen. Ik hoor de deur van het café opengaan. Even later zie ik vanuit mijn ooghoek twee grote ogen naar me staren. Een jongen van een jaar of tien, als hij merkt dat ik hem zie loopt hij weg. Nog geen minuut later keert hij terug, met twee andere jongens, ze kijken nieuwsgierig naar ons, fluisteren en giechelen. Ik snap waarom en moet lachen. Op hun voorhoofden staat geschreven: ‘Kijk! Lezzers!’
Is dat hier nog een rariteit of zo?
Lezzers, zo noemen de medekasteelbewoners ons. De lezzers, dat zijn wij. Ik vind het een mooi woord. Gelezzig ook.
Liefje wordt wakker, ze is zich van niks bewust. ‘Zijn we weg?’
‘Je zult wel enkele ogen op je voelen straks.’
‘Hoezo?’
‘Je zult wel zien.’
We gaan betalen. De werkmannen aan de toog worden stil, vermijden het ons aan te kijken. De drie jongens zitten aan een tafel, met een brede glimlach. Misschien moet ik Liefje nu hartstochtelijk zoenen. Zouden ze hilarisch vinden.
Op weg naar de auto kijken we om. De jongens staan voor het raam, we zwaaien naar hen, ze zwaaien terug.

Kust min kluoten

visssWe lopen over de dijk van Oostende, de wind brult in mijn oren en ik ril in mijn jas. Aan de Vistrap overvalt de geur van de vis me.
‘Wat een prachtige vissen. En zo vers!’ Liefje loopt van kraam tot kraam en kijkt naar de vissen, ik slenter achter haar aan.
‘Kust min kluoten!!!’
Ik zoek vanwaar het geschreeuw komt. De zwart omlijnde ogen van een visverkoopster bliksemen naar de verkoopster van het kraam naast haar, de mond van de vrouw is verwrongen, haar neusvleugels trillen. De vrouw naar wie ze heeft geroepen zegt iets terug maar ik hoor niet wat.
Liefje port in mijn zij en lacht. ‘Zware concurrentie hier.’
De vrouw met de zwarte ogen is blond, ze heeft poeder op haar gezicht en draagt een groene winterjas.
‘Waar kopen we de vis?’ vraag ik. We staan in het midden van het gangpad, langs beide kanten zijn er kramen, wat doen ze met al die vissen als niemand ze koopt? Ik bevries van de kou, ik wil hier weg.
‘Bij die blonde?’
‘Die van kust min kluoten?’
‘De vis is toch overal supervers,’ zegt Liefje. ‘Maar zij is het kleurrijkst.’
We schuiven aan bij het kraam, de blonde bedient de man voor ons. Zou ze samen zijn met de visser van wie ze de vis verkoopt? En zouden ze thuis ook zo op elkaar roepen?
Het is onze beurt. De blonde lacht en het lijkt oprecht, ze heeft vriendelijke ogen. Misschien is de vrouw van hiernaast wel de bitch.
‘Mag ik dat stuk kabeljauw eens zien?’ Liefje wijst het aan.
De vrouw neemt het stuk op en toont het. Het is groot.
‘Mooi,’ zegt Liefje. Ze kijkt verlekkerd naar de kabeljauw.
‘Zestien euro,’ zegt de vrouw.
Liefje knikt. ‘En nog wat garnalen.’
‘Hoeveel?’
‘Niet meer dan vier euro,’ zeg ik. ‘We hebben maar een briefje van twintig bij.’
De blonde knikt en schept garnalen in een zak. De vrouw van het kraam ernaast zegt iets maar weer versta ik het niet.
‘Kust min kluoten joeng!!!’ De blonde kijkt geïrriteerd naar haar buurvrouw. Dan schept ze verder, ze doet dat nogal wild, de garnalen vliegen in het rond. Ze schept veel garnalen voor vier euro. Misschien heeft ze het niet goed begrepen.
‘Zo!’ Ze geeft ons de zak met de kabeljauw en de garnalen. ‘Twintig euro!’ Ze lacht en neemt het geld in ontvangst. Wij lachen ook.
‘Tot ziens,’ zegt ze.
We lopen verder. De vrouw van het kraam ernaast leunt tegen enkele kratten en staart voor zich uit.

Liefje en de zombies

90290-the-walking-dead-the-walking-deadTijdens het zappen belanden we op BBC 2. De Australiër ziet eruit als een cowboy in korte broek. Hij voedt de kangoeroebaby’s met flesjes melk en stopt ze in kussenslopen die dienst doen als buidel. Al twintig jaar verzorgt de man kangoeroewezen in zijn hut, tot ze sterk genoeg zijn om zelfstandig in het reservaat in de Outback te leven. Als ze niet slapen, springen de baby’s de hele tijd achter hem aan. Dat is mooi. Liefjes benen liggen bij me op schoot, mijn handen liggen op haar benen.
Het programma is gedaan.
‘Zullen we een film huren?’ Ik kijk naar rechts, haar ogen zijn dicht, ze slaapt. ‘Liefje?’
Ze reageert niet. Mijn boek ligt op de kast. Als ik op sta om het te nemen, wordt ze misschien wakker. Of… Ik voel de grijns op mijn gezicht. Ik check de digicorder, er staan nog vier afleveringen klaar. Daar heb je de begingeneriek, de muziek, de snelweg, in de richting van de stad leeg, aan de andere kant vol auto’s die tijdens de vlucht eeuwig tot stilstand zijn gekomen. Ik voel meteen de spanning.
Liefje beweegt, ik zet het geluid stiller. Ze draait zich om, legt zich goed, enkel haar voeten liggen nog bij me op schoot. Ze lijkt stevig te slapen. Ik zet het volume luider. Te stil kijken gaat niet, er moet geluid bij. Uit het niets komt een zombie tevoorschijn, hij maakt veel lawaai, de persoon die hij aanvalt schreeuwt. Verdomme. Ik druk op de volumeknop maar het is te laat. Liefje opent haar ogen en kijkt versuft naar het scherm. Daar strompelen een stuk of twintig zombies, ze reutelen en kreunen, hun lichamen, hun gezichten zijn opengereten. Er volgt een close-up van een vrouw die zich aan de armen voorttrekt, ze heeft geen onderlijf, haar darmen slepen over de grond. Rick en Shane schieten de zombies in het hoofd, de hoofden spatten uiteen en de zombies vallen neer.
Liefje zucht.
‘Ah, je bent wakker,’ zeg ik.
‘Waar zijn die kangoeroes?’
‘Dat programma is gedaan. Je was in slaap gevallen.’
‘Ik was niet in slaap gevallen.’ Ze klinkt nors.
‘Jawel.’
‘Hoe kun je daar nu naar kijken? Dat heeft toch geen inhoud?’
‘Jawel.’
‘Ik ga slapen.’
‘Het draait om de mensen, niet om de zombies. Die zombies zijn gewoon decorstukken. Het is soms heel aangrijpend.’
‘Hm.’
‘Er was onlangs een meisje vermist, vijf afleveringen lang, en plots bleek dat ze in een zombie was veranderd. Ze moesten haar neerknallen voor de ogen van haar moeder. Dat was erg.’
‘Proficiat.’ Ze rolt met haar ogen en verdwijnt naar de keuken.
Even later hoor ik water stromen, ze is in de badkamer. Rick en de rest zijn ontsnapt en rijden terug naar de boerderij. Daar is het relatief veilig maar zeker ben je nooit.
Ik zie Liefje naderen. Op enkele meters afstand blijft ze staan. Ze staart me aan, haar ogen zijn glazig, ze reutelt. Haar ademhaling hapert, het klinkt net echt, met het juiste zombiegekreun erbij. Ze houdt het zowat een minuut vol, dan schiet ze in de lach. Ze geeft me een kus. ‘Slaapwel,’ zegt ze.

Gierende banden

Liefje vertrok met gierende banden. Ik deed snel mijn gordel om. Nooit eerder had ik in een auto gezeten die met gierende banden optrok. Liefje was razend. Zo had ik haar nog niet gezien. Ik ken haar pas een jaar en drie maanden, maar toch. Om de hoek trok ze alweer met gierende banden op. Het klonk net als in de film.
‘Ik ben die straat van jou beu!’ riep ze. ‘Kotsbeu!’
Intussen kleefden we aan de bumper van een traag rijdende auto. Grommend sloeg Liefje op het stuur. Toen we de auto enkele seconden later konden passeren, gaf ze de bestuurder een middelvinger.
Ik keek haar aan. Ze kaatste een verongelijkte blik terug.
‘Wat denk je nu? Met wat voor zot wijf zit ik hier opgezadeld?’
Ik knikte, glimlachend.
Aan het stoplicht rukte Liefje de parkeerboete uit mijn hand. De derde al. Op drie weken tijd was ze drie keer enkele minuten te laat geweest. Ze scheurde de boete in twee. Het propje gooide ze door het raam.
‘Sorry voor mijn gedoe,’ zei ze. ‘Maar die 25 euro betaal ik niét. Ik val nog liever dood.’
Haar ogen werden weer zacht. Ze trok me naar zich toe en gaf me een zoen. Ik glunderde.